
“You angry?” vroeg hij.
“Yessss.” zei ik. En dat wás ik!
In deze column ben ik even niet de therapeut maar gewoon een ouder wordende vrouw. Eentje die op doodgewone dagen pijnlijk wordt herinnerd aan hoe zichtbaar ze wordt op het moment dat de wereld vindt dat ze eigenlijk onzichtbaar moet zijn.
Jonge mensen, eerlijk gezegd vooral mannen, doen er al een paar jaar het nodige aan om mij dat nooit te laten vergeten.
Losse voorvallen, maar ze vormen een verhaal. Een verhaal van steeds terugkerende patronen.
Ik zoek bij voorbeeld in een schoenenwinkel slippers met een zachte zool omdat ik jicht hebt in een voet. Niet vanwege hoge leeftijd, maar haperende nierfunctie. Als er echter enkel keiharde voetbedden blijken te zijn, komt er geen: “Hè, wat jammer voor u,” maar:
“Dan gaat mevrouw toch even op hardere zooltjes lopen?” Stel je niet aan, verwend oud wijf. De onuitgesproken woorden die me kwetsten tot op het bot.
Tijdens de vakantie raak ik te voet op zoek naar een dierenartsenpost een beetje verdwaald. Ik heb twee hondjes bij me, waarvan één een medicament van mij als snoepje heeft aanzien. Vandaar. Een bpost-jongen stapt vlak voor mij uit zijn busje, dropt een bestelling en ik vraag hem op de terugweg of hij weet waar de kliniek is. Ja hoor, nog een minuutje díe kant op. Als hij me tien seconden later passeert, steek ik mijn hand nog eens op om te bedanken. Terwijl hij me vanuit het bestelbusje recht in de ogen kijkt, wijst hij op zijn voorhoofd. Oké, denk ik, die vindt me dom omdat ik niet met mijn navigator om kan gaan. Vijf minuten later krijg ik door dat hij me de verkeerde richting op heeft gestuurd. Wááróm?
Of op de fiets. Ik bevind me in een gebied waar een honderdtal kinderen opgelucht om vier uur snel en merendeels elektrisch als een zwerm bijen uitwaaiert over de stad. Daarbij word ik vijf keer achter elkaar afgesneden. Oké, ik snap het; de jeugd die zichzelf onsterfelijk waant en mij niet eens ziet. Ik herinner me van mezelf ook dat ik me op een fiets altijd veilig waande. Hoe hard reed ik nu? Iedereen kon mij toch zien?
Maar bij de zesde keer, die me echt in gevaar brengt, ontsnapt me een boos en geschrokken “Héla!” De man van een jaar of dertig, rastakapsel, pikt het niet, houdt in en komt naast me rijden. “You Angry?” daagt hij me uit. “Yes!”, geef ik tot zijn verrassing toe.
Dat is niet wat hij horen wil. Hij had verwacht dat ik in mijn schulp zou kruipen en er een bibberend “No” zou komen. Daarin gefrustreerd gaat hij weer voor me rijden en gaat vervolgens voluit in zijn remmen hangen. Ik kan hem nauwelijks ontwijken en rijd mezelf klem. Zoals ook zijn bedoeling was.
Opnieuw vraagt hij, dit keer nog een graadje intimiderender, of ik wel zeker weet dat ik ‘angry’ ben. Nou en of ik dat zeker weet en ik laat me eens niet, zoals zo vaak, afbluffen door een vent, zó boos word ik. De voortzetting van zijn geweld komt in de vorm van de oudste belediging uit het boekje voor ‘lastige’ vrouwen: “You look like you haven’t been getting laid for a lóóóng time. You need a good f..k and then you’ll be all happy again.”
Ik geef zijn fiets, het kán ook zijn been zijn geweest, een ram met mijn voorwiel, manoeuvreer me uit zijn val, feliciteer hem met zijn originaliteit en fiets dan waardig door. Als ik op een veilig afstandje over mijn schouder kijk, zie ik dat hij woedend is en aanstalten maakt om me achterna te komen. Ik hef -nee, het is niet een ouderwordende dame waardig- mijn middelvinger naar hem op, verhoog mijn tempo en zorg dat ik in de buurt van ander volk terechtkom. Klinkt lekker weerbaar, maar ik betaal het wel af met een uur beven -en dat is inderdaad wat ouwelijk-, ervan overtuigd dat dit paradepaardje van de patriarchale beschaving zoiets nooit geflikt zou hebben met een jonge, leuke meid. Dat weet ik zo goed omdat ik haar wás.
Er zijn mensen die dit soort situaties lachend over hun schouder gooien. Een vriend van mij noemt mensen zoals mijn held op fietsbanden mieren. “Als ik geïnteresseerd was geweest in de mening van mieren, had ik wel mierologie gestudeerd” is zijn adagio. Deze houding beschermt hem in hoge mate -en dat is om jaloers op te worden. Maar ik heb een dunnere huid. Mij doen zulke situaties echt pijn en ik weet nauwelijks hoe ik daarmee om moet gaan. Ik blijf zitten met mijn verbijstering.
Voor mijn gevoel nog niet al te lang geleden, zo rond de tijd dat de moeder van de rastakop zijn luiers nog verschoonde en hem tegen haar schouder aandoenlijke boertjes liet doen, heb ik zelf ook kinderen op de wereld gezet. Zoals de meeste vrouwen, met extreem veel pijn en evenveel liefde. Dat is iets wat zulke façades op sneakers nooit voor elkaar zullen krijgen.
Maar die wetenschap helpt me niet. Integendeel, het maakt me alleen maar triester. Want begrijpen betekent nog niet dat ik er iets aan kan veranderen of dat ik hem kan bereiken.
En dan nog zoiets. Vanmorgen zat ik op een van de -officieel- mooiste pleintjes van heel Vlaanderen onder een rij platanen, die met hun koelte en schaduw een vluchtheuvel vormden in een plein wat verder een zinderende broeikas was. Ik zat er met twee koppeltjes, toevallig Nederlanders. Ze kwamen later aan dan ik en plaatsten hun vier identieke, zwaar bepakte sportfietsen pal tussen mij en het prachtige platanenpanorama.
Helaas bemoeiden ze zich iets te veel met me. Ik moest me steeds omdraaien om hun vragen over het dorp te beantwoorden terwijl ik liever naar de bomen luisterde.
Een ober die kennelijk ondanks de verschroeiende hitte de dag opvallend fris begroette, vroeg hen of ze gelukkig waren. Dat hoor je niet op elk terras. Maar ja, het waren Nederlanders en ze konden wel wat gekkigheid aan. Beide paartjes zeiden dik tevreden te zijn met elkaar. Dat zag ik ook. En ik hoorde het vooral.
Mij werd niets gevraagd, dus ik trok de stoute schoenen aan en ik vroeg de ober of híj gelukkig was. Dat verraste hem. Goh ja, hij was best ‘ça va’. “Fijn voor je!” zei ik.
“U bent alleenstaand?” vroeg hij daarop een beetje ongemakkelijk, alsof iets fijn vinden voor een ander en alleenstaan lichtjaren van elkaar verwijderd zijn. Achter me hoorde ik één van de Nederlandse vrouwen zeggen dat ze zelf ook lang vrijgezel was geweest en zich prima had vermaakt. Zonder enige schaamte beaamde ik. Ik heb mijn portie gehad en ben aan een ander hoofdstuk begonnen.
“Zo zo…”
Hij was beleefd en bedoelde het allemaal niet slecht. “En u werkt niet meer, neem ik aan?” Er zijn vragen die met een vanzelfsprekendheid gesteld worden waar je stil van wordt. Ik had daar echter geen zin in:
“Jawel hoor, ik werk, en met veel plezier zelfs.” pareerde ik. Goh? Wat ik dan wel zoal deed?
En ineens had ik geen zin meer om toe te geven dat mijn beroep fysiek niet veel meer inhoudt dan mijn mensen binnenlaten, vervolgens overeind blijven in mijn stoel -wat bij sommige verhalen nog lang niet evident is- en weer naar de voordeur begeleiden.
“Ik ben professioneel offshore pijpleidingenlegger in de Noordelijke IJszee,” hoorde ik mezelf tegen hem zeggen. “Verdient goed.”
Hij negeerde mijn fantasie en zette mijn vlierbessenlimonade met een schijfje citroen voor me neer -de rest van het terrasje was ’s morgens om elf uur al aan de koude kriek- alsof hij lauwe appelmoes serveerde. Daarna verdween hij ietwat schichtig.
Achter mij knalde een schaterlach los. De zeer geanimeerde Nederlandse vrouw was kennelijk het hele tafereeltje blijven volgen. En ze vatte het. Ik had plots geen enkele moeite meer met die fietsen voor mijn neus.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.