
Digitaal had ik een afspraak gemaakt bij het gemeentehuis, afdeling rijbewijzen. Daar na weken wachttijd aangekomen, bleek er niets te zijn geregistreerd. Een uur aanschuiven, praten en proberen leverden niets anders op dan een nieuwe afspraak voor nog eens twee weken later. Ditmaal digitaal ter plekke door een medewerker geregeld. Wel had ik het sterke gevoel dat ik niet werd geloofd. En dat werd later ook bevestigd; veel mensen schijnen zo zonder afspraak en zonder wachttijd hun geluk te wagen.
Toen ik op de tweede afspraak kwam, was het verdict echter opnieuw: ,”Er staat hier niets op uw naam…. Hebt u een e-mail om te bewijzen dat u een afspraak had?”
“Nee, ik wist niet eens dat ik een e-mail moest krijgen.”
“Jawel, dat stond in die mail.” Pardon? Dit liet ik maar even rusten en ging verder met het belangrijkste.
“Ik heb wel degelijk een afspraak en die is zelfs hier aan de balie in het systeem ingevoerd door ene G…”
“Kan niet”
“… en ik heb nooit een e-mail gehad.”
“Kan niet”
Een beetje wanhopig zei ik: “Ik sta hier toch niet te liegen?”
Aiaiai! Woedend werd ze. “Seg! Maar zó gaan we hier niet beginnen, ik heb nooit gezegd dat u liegt, ik sta hier ook maar om u te helpen!”
“Nee, ik heb gezegd dat ík níet lieg. Dat is iets anders. Maar als ik merk hoe dit overkomt …. sorry, was de bedoeling niet.” Zwaar persoonlijk gekrenkt, wilde ze mijn excuus niet aanvaarden. Ze zou me niet meer verder helpen en hield een ander personeelslid dat mij te hulp wilde schieten zelfs tegen.
Lang verhaal kort. Uiteindelijk werd ontdekt dat beide afspraken wel degelijk gemaakt waren en dat het een raadsel was dat ze niet tevoorschijn waren gekomen. Ik kon opgelucht mijn briefje afgeven (want dat was het enige wat ik kwam doen) en wilde net naar buiten gaan, toen ik in een drafje werd opgevangen door een personeelsmanager.
De vraag was of alles alsnog was gelukt (“Ja? Wat fijn!” Mijn gód, wat een goedmaker was dit!) en … of ik dan ter afronding van de geslaagde actie toch nog even mijn excuses wilde gaan aanbieden aan de eerste baliemedewerkster. Die dame die mij niet had willen helpen. “Dat had ik al gedaan,” zei ik, “en die excuses zijn niet aanvaard.” Waar de goede man helaas niet van op de hoogte was.
Uit de verte volgde de vrouw ons met ogen als sintels. Ik kreeg ook nog te horen dat de vriendelijke dame die mij wel had verder geholpen zonder volgnummer, haar boekje te buiten was gegaan en daarop aangesproken was geweest. Allemaal mijn schuld. Eenmaal buiten ben ik gaan bekomen bij een kop koffie. Wat was me dát daar?
Na het troostmomentje haastte ik me naar het volgende programmapunt; wat zou dat voor mij in petto hebben? Tijd voor een nieuw loket namelijk: de bloedafname in het ziekenhuis. Routineklus. Ik lichtte de verpleegster in dat mijn rechterarm gemakkelijker is dan de linker, maar ze had op de linker al drie ‘prachtige’ aders ontdekt. Ik heb geleerd dat ik complimentjes moet kunnen ontvangen en aangezien ze niet had afgewacht en de tourniquet mijn linkerarm al bijna van mijn lijf gescheiden had, gaf ik ondanks mezelf een beetje trots mijn prachtige aders vrij.
Tijdens de eindeloze minuten die daarop volgden, heeft ze ze elk driemaal doorboord. Ze wilde de nederlaag maar niet aanvaarden en bleef, steeds roder wordend terwijl ik almaar witter weg trok, maar stekkeren en duwen en trekken. Met zo’n doorzettingsvermogen dat ik vreesde dat ze een buisje hersenvocht zou oogsten in plaats van bloed.
Totdat een iets oudere verpleegster mij te hulp schoot. De linkerarm was voorlopig een slagveld en zo kwamen we dan, tot mijn opluchting, eindelijk rechts terecht. Ik had al zoveel pijn gehad dat ik verdere aanvallen even niet meer wilde zien. Ik keek weg en wachtte af. Na tien seconden hoorde ik: “Klaar!” “Hebt u dan al geprikt?!” Ik kon het nauwelijks geloven. “Zo kan het ook”, zei ze met een knipoog.
Bij de deur draalde de verpleegster van de linkerarm nog wat ongemakkelijk rond. Ze had kunnen zeggen: “Dat kán niet, dat zulke fenomenale aders zo weinig meewerken.” Ze had -in de lijn van wat ik ’s morgens had meegemaakt- ook nog kunnen beweren dat ik me niet aan moest stellen. Maar dat deed ze allemaal niet. Ze zei gewoon: “Sorry mevrouw, echt, ik had u geen pijn willen doen, dat is wel het laatste wat ik wil.”
“Weet ik, natuurlijk wilt u dat niet!” reageerde ik ruimhartig nu ik geen interne naaldenverzameling meer meezeulde, “Mijn arm zit er nog aan, geen nood, we moeten het allemaal leren!”
“Sommigen meer dan anderen” zei de verpleegster van de rechterarm een beetje zuur. Toen schoten we alle drie in de lach. En ondanks een blauwe linkerarm stapte ik totaal opgewekt naar buiten. Geen koffietje nodig.
Je verontschuldigen. Zo moeilijk hoeft dat toch niet te zijn? Meestal is het zelfs leuk. Je krijgt weer lucht. Net als de ander.
Redactie: Petra Hoetz
Afbeelding@Evamaria

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.