Soms komen er beelden voorbij die je niet zo snel meer los laten. Die moeder. Die Venezolaanse vrouw die met haar drie kinderen een aardbeving overleefde. Terwijl onze kinderen hier vakantie vierden, hield zij de hare onder het puin van een ingestort gebouw elf dagen in leven. Met moedermelk. Er voltrok zich daar een verhaal dat de wereld heeft geraakt. Zoals verhalen over trauma, kleine mensjes die grootste dingen doen om anderen te redden, inferno’s blussen, zweven tussen hoop en wanhoop dat kunnen. Maar wat mij bovenal benieuwt is wat er daar in die elf lange dagen en nachten van samen zien te overleven aan hechting is gebeurd. Dat moet immens zijn.
Op kleine schaal kan ik me er vanuit eigen ervaring wel iets bij voorstellen. Een van mijn kinderen is tijdens de jeugd twee keer letterlijk in levensgevaar geweest. De uren en dagen daarna, toen het gevaar geweken was, zijn onbeschrijfelijk. Om nooit meer te vergeten.
Maar vooral roept dit verhaal herinneringen op aan iets dat veel eerder gebeurde.
Een vriendin was op zomervakantie gegaan en had haar hoogzwangere kat in het logeerkamertje achtergelaten met voldoende voer en water voor twee weken. Ook voorzag ze in meer dan genoeg dekens om een nest mee te bouwen.
Onverwachts kreeg ik een week na haar vertrek een telefoontje uit het buitenland: of ik af en toe eens wilde gaan kijken. Ze was ineens ongerust geworden. En ze wist wie ze belde.
De situatie overviel me. Ik had geen idee. Een andere vriendin -en ik wist ook wie ik hiervoor vroeg- sprong met mij op de fiets. Wat we aantroffen was een opeenhoping van stank, hitte en ellende. Moederpoes was in haar eentje bevallen en beredderde de boel zo goed en zo kwaad als ging in dat kleine, tot stinkend toe bedompte kamertje.
Het eerste wat we deden was alle binnendeuren en een bovenluikje opengooien en het kattentoilet in de koelere badkamer installeren. Ook lieten we de douche, waar ze nu door de open deuren in konden, constant druppelen voor vers water. Verder ging ik er vanaf dat moment ‘s ochtends en ’s avonds naartoe. Soms hielp mijn vriendin mee of nam ze een zorgmoment over. De dierenarts werd er ook bijgehaald en waarschuwde me dat de allerkleinste het waarschijnlijk niet ging redden zonder extra zorg. Zelf had ik diertjes die ik niet alleen kon laten, dus besloot ik dit verfomfaaide hoopje mee naar huis te nemen. Doodvoorzichtig in een zachte deken in mijn fietsmand. Mijn vriendin fietste voor ons uit om obstakels zo nodig uit de weg te ruimen. Thuis bouwde ik een ‘moeder’ voor het ukkie, vooral voor ’s nachts. Overdag deed ik het zelf wel. De ‘moeder’ bestond uit een halfvolle, dus meebewegende rubberen warme kruik met een vachtje erop. Knuffeldiertje erbij, het oeroude hondje uit mijn eigen bed. Alles in een hoge kartonnen doos.
Elke twee uur stond ik op voor een flesje, deed nieuw warm water in de kruik en klom weer naar mijn hoogslaper, die boven de eethoek was gebouwd. Op de tafel stond de kattendoos.
Na elke voeding viel het hummeltje vanzelf weer in slaap. Maar tijdens de derde nacht bleef het na één van de flesjes erbarmelijk, maar vastberaden piepen. Ik weer naar beneden. Wat nu? Eerst maar eens een instinctieve oplossing geprobeerd en die was meteen raak; ik nam het prutsje voorzichtig mee de ladder op naar boven, naar mijn bed. Daar, in mijn tot een holletje samengevouwen handen, nestelde het zich alsof het nooit ergens anders gelegen had. Diepe, tevreden zucht.
Dat vertrouwen en ook dat exacte aangeven wat ze wilde -niet alleen voedsel en warmte, maar ook nabijheid- raakten me. Diep tevreden sliep ik in. Vlak bij mijn oor dat zachte gesnor van haar. Dat mijn nabijheid ook nodig was om dit kleine wezentje erdoor te trekken voelde als iets wonderbaarlijks. Het maakte me intens gelukkig. Verder ontroerde het me dat ze sterk genoeg geworden was om aan te geven dat er nu iets anders nodig was.
Toen de vriendin terugkwam van vakantie en besefte wat er allemaal gebeurd was, was ze me dankbaar. Ik had het katje ‘Lapje’ gedoopt en dat respecteerde ze dan ook. Het sprak wél vanzelf dat ze Lapje van me overnam. Ook al viel het afscheid me ontzettende zwaar, het was háár katje.
Het moet gezegd, ze vond voor allemaal een goed thuis, maar hield het overlevertje bij zich en bij de moeder. Ze wilde de blamage van haar onoverlegde vertrek rechtzetten. Maar dat hoorde ik allemaal pas veel later.
Ik had haar manier van doen beneden peil gevonden en was boos en gekwetst. Ze had me gewoon tijdig kunnen vragen. Dan hadden die katjes en hun moeder het minder zwaar gehad. En ik trouwens ook.
We kwamen voordien al niet dagelijks bij elkaar over de vloer, maar toch duurde het dit keer op de een of andere manier een jaar voordat ik weer bij haar thuis kwam. Heel verrast was ik om een nieuw exemplaar met drie grote sprongen spinnend in mijn schoot te zien landen. Kopjes, rasperige likjes, honderd scherpe nageltjes héél voorzichtig in mijn vel. Ronken van plezier. Op mijn hoofd klimmen, in mijn haar woelen, van daaruit ondersteboven in mijn ogen proberen te kijken; ze verzon de gekste dingen om mij te begroeten. Wat gebeurde hier?! Het leek wel een losgeslagen pup.
De vriendin zat ernaar te kijken en had binnenpretjes: “Weet je dat ze mensenschuw is en dit nog nooit heeft gedaan bij iemand? Herken je haar niet?
Nee?
Maar zij jou wel!”
Mijn Lapje!
Zulke sterke en blijvende banden kunnen er ontstaan in nood en nabijheid.
Dit gebeurde bijna vijftig jaar geleden. Lijkt gisteren. En vandaag las ik over die Venezuelaanse moeder.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.