Blog

“Altijd vakantie!”

Als puber sliep ik slecht en sloeg wel eens een dagje school over. Dan kroop ik lekker in mijn bed; iets minder ziek dan mijn moeder dacht. En daar lag ik, heerlijk uitrustend onder de veilige dekens en op de zachte matras die toen nog niet verboden was voor de rug. En daar, in mijn schuiloord, bereikte me via mijn gehoor een hele wereld waar ik voordien nooit oor voor had gehad. In plaats van dat mijn moeder gezellig boven aan mijn bed een theetje zat te drinken en met me te kletsen tussen de vele speculaasjes door, gebeurde er onder mij iets wat ik niet meteen kon plaatsen; een wirwar aan geluiden drong opwaarts tot mijn kamertje door. Krakende traptreden, deuren die constant open en dicht gingen, voetstappen overal in het huis, water dat ik door de buizen hoorde lopen, de wasmachine die centrifugeerde, de auto die startte en even later weer terug kwam, haar fietsbel (waar was ze nu weer heen?) de stofzuiger die zoemde. Tussendoor haar stem, waarschijnlijk aan de telefoon (met wie belde ze in godsnaam, ik was toch thuis?), kortom wat dééd die vrouw daar beneden allemaal? We hadden toch eens per week een werkster? En hutspot op tafel zetten kon toch ook zo’n tijdrovend drama niet zijn? Onze voeten veegden we toch als we binnenkwamen? We waren zelfs meestal zo goed om de dop weer op de tandpastatube te doen als we uitgepoetst waren. Klaar was je toch? Kortom, ze moest echt zeeën van tijd over hebben om bij me te zitten. Wat ze daar allemaal in dat huis uitspookte, was me een raadsel. Maar dat is inmiddels opgelost.

Heel veel later. Mijn reeds gepensioneerde man en ik waren een weekje op vakantie in eigen land. Toen midden in die week een aangetrouwd familielid zijn bezoek aankondigde, waren we allesbehalve enthousiast. We kenden ons opportunistje en wisten dat zijn plotse interesse in ons onmogelijk onschuldig kon zijn. We sputterden tegen, maar hij drukte door. Op onze vraag waar het dan wel om ging, was het vlakaf: “Niets, een gesprekje, gewoon, uit respect voor jullie.” Toen begonnen we pas echt te beven. Hier was iets helemaal niet pluis. We hebben nog geprobeerd om ons af te schermen met het feit dat we wel vakàntie hadden, maar het was niet aan hem besteed; voorbijgaand aan het feit dat ik nog wel degelijk werk, gaf hij voorgoed vleugels aan de woorden: “Jullie zijn met pensioen, dus … jullie hebben altíjd vakantie.” Hij kwam, sprak en dompelde ons voor de rest van ons verblijf en de jaren erna onder in een financieel lastig watertje. Maar zijn uitspraak hebben we nog vaak dankbaar herhaald als we ons weer eens uit de naad werkten om alles wat we wilden ook af te krijgen. “Áltijd vakantie!” riepen we elkaar dan honend toe en dat klaarde meteen de lucht merkwaardig op.

Zelf nog steeds niet met pensioen zijnde, merk ik wel aan mijn partner wat dat is; pensioen is géén vakantie. Ja, je gaat niet meer voor je baan op pad of kruipt ervoor in je thuiskantoor, maar voor de rest blijven veel lasten dezelfde. Terwijl de krachten afnemen. Je huis dien je op orde te houden, eenzelfde aantal pannen moet er per maaltijd afgewassen worden als voorheen, je aanrecht wordt er niet kleiner op en niet minder vuil na het koken, de planten hebben even veel water nodig als vroeger, stof daalt net zo rijkelijk neer uit de atmosfeer als voorheen, je verschoont nog steeds wekelijks je bed, je betaalt aan dezelfde wirwar van instanties je rekeningen (op voor semi digibeten steeds geheimzinniger manieren), je veegt evenveel sneeuw bij je voordeur weg in de winter en in de herfst bladeren, je onderhoudt eenzelfde aantal vriendschappen en doordat de ‘handenbindertjes’ de deur uit zijn zelfs meer. Kinderen en kleinkinderen en bovendien op deze vroege pensioenleeftijd vaak ook nog zéér oude ouders blijven een beroep op je doen. Het gras in je tuin groeit zoals steeds veel te snel, afstanden naar winkels, de fietsenmaker en het postkantoor blijven dezelfde. Je moet op computerles om met je kleinkinderen te kunnen converseren. Het rondje specialist- apotheek-en weer dokter kan je dagen gaan beheersen. Er zijn ook zaken die minder worden, met name de hoeveelheid was. En de uren op een dag dat je je echt fit voelt. En je slaap. En je tempo dus. En, en, en … er is zoveel.

Toen ik er wél oog voor kreeg, kon ik het mijn moeder niet meer vertellen; hoe jammer ik het vond dat ik destijds uit onnadenkendheid zo losjes heengegaan was over de inspanningen die ouders en grootouders moeten leveren. Inspanningen om uiteindelijk alles nog een beetje met geheven hoofd bij te kunnen benen. De verwachtingen ten opzichte van hen zijn vaak hoog en blijven dat, nog lang nadat het allemaal niet meer zo vanzelf spreekt. Troost is de gedachte dat het overal zo gaat en dat extra bezorgde, verantwoordelijke en meelevende kinderen dat vaak zijn door gezinsomstandigheden die niet optimaal zijn. Vanuit angst voor verlies van veiligheid. Met andere woorden, het is normaal om als kind niet na te denken over hoe het brood op de plank komt en wie het dan wel gebakken heeft. En als daar in een kinderhoofdje wél grote zorgen rond leven, wordt het kind mogelijk onvoldoende afgeschermd tegen rauwe werkelijkheden.

Met opnieuw en ditmaal extra dank aan Kitty van der Weij, één van mijn trouwe ‘redactrices

Foto: Evamaria Jansen

Voorbeeldfunctie

Door het huidige onderwijs kunnen peuters tegenwoordig kort na het betreden van hun gezamenlijke zandbak al tot tien tellen en meer. Die gedachte schiet me steeds door het hoofd als ik bepaalde politici ‘bezig’ zie met hun land wanbeheren. Je vraagt je af wat er bij die figuren in de peuterspeelzaal zo fataal de mist is in gegaan. Dit is niet bij wijze van spreken, maar letterlijk bedoeld. Ook de ‘Hollandse overdrijving’ gaat hier niet op. Nee, ik heb het -naast egoïsme, machts en -geldhonger- over naakte, beschamende en verbijsterende stupiditeit aan de top. 


In Nederland zit daar in die regionen een zekere Fred Grapperhaus, minister van justitie. Hij is de motor achter de gezichtsmaskerhetze en of je nu in de werking van die dingen gelooft of niet doet er hier even niet toe.
Deze meneer heeft besloten om te trouwen. Niks mis mee, maar waarom in volle Corona tijd een groot feest erbij? Waarom kon er niet gewacht worden op rustiger tijden? Het plebs zal het antwoord wel nooit te weten komen en misschien zijn er werkelijk wel valabele redenen voor deze viering op dit moment. Dus laat ik hem het voordeel van de twijfel geven. Ze hebben als locatie voor de receptie op het laatste moment geopteerd voor een feestzaal. Hun geplande thuisfeest zou namelijk wel wat vreemd over hebben kunnen komen op een volk dat gesommeerd wordt in beperkte bubbels te leven, zeker binnenshuis. Daar de verloofden de locatie geheim hadden gehouden, gingen ze ervan uit – en nu beginnen mijn hersenen al lichtelijk te kraken – dat de keuze ook geheim zou blíjven. Niet dus. Natuurlijk niet. Daar hebben we het journaille voor. Vervolgens houden de minister en diens vriendenkring, waar ook het een en ander aan top in vertegenwoordigd was, zich niet aan de te vuur en te zwaard door de minister zelf doorgedrukte Covidregels. En ze laten zich daarbij nog betrappen ook. Een peuter die verstoppertje speelt, pakt het slimmer aan.


Ik stel mezelf toch enkele vragen. Zou ik als minister van uitgerekend justitie een groot huwelijksfeest geven in volle mondiale crisistijd? Waarschijnlijk niet. Want ik weet hoeveel voeten de organisatie van een béétje bruiloft in de aarde heeft. En dat zou ik niet graag combineren met mijn werk wat misschien nog wel nooit eerder zo belangrijk is geweest als nu. Zou ik me laten betrappen? Vergeet het maar, ik zou me óf aan de regels houden óf in een beveiligde bunker trouwen. Nooit zou het in me opkomen om een soort lapdance buiten op het bordes te gaan uitvoeren met zijn zestigen. Wat ik me wel zou kunnen indenken, heel goed zelfs, is dat ik in mijn voorbeeldfunctie zou kiezen voor een spectaculair feest, waar de hele bevolking zijn hart aan mag ophalen in moeilijke tijden. Daarvoor zou ik met mijn riante salaris (let op, ik ben dus nog steeds minister) een kudde weddingplanners inhuren, een paar virologen, een psycholoog of twee-drie, een intelligente politieagent, een modiste (voor de gratis mondmaskers in feeststijl) en een peutertje om iedereen met de voeten op de grond te houden. Samen mochten die dan, terwijl ik me wijd aan mijn land in nood, een gebeuren organiseren waaraan zowel de gasten en het hele volk zich zouden kunnen laven en toch zo veilig mogelijk blijven. Een erehaag van plastic handschoenen zou ik neer laten zetten. Honderden witte ballonnen loslaten met ‘Feest niet als een beest’ erop. Duiven met kleine witte lakentjes in hun bekjes zou ik laten uitvliegen om het zorgend personeel en zoveel anderen te bedanken. Een fontein van handgel op het bordes met een loper van gezonde voornemens. Stichtende teksten op de mondmaskers, waar de fotografen dan weer op mogen inzoomen als ze het juiste volkslied van ons landje hebben kunnen produceren, wat, dat weet elke Belg, nogal een benenbreker is voor sommige politici. Een voorbeeld van een party zou ik ervan maken, en vervolgens het draaiboek vrij geven voor publicatie, ter ondersteuning van mijn in een wirwar van elkaar tegensprekende Coronamaatregelen ronddolend volk.

Wellicht zou mijn bruiloft op die manier nog een aftrekpostje zijn ook.

 

Welkom

Met een heel goed gevoel schrijf ik na de eerste lockdown mijn mail met Coronamaatregelen die ik binnen mijn praktijk wil en deels moet toepassen; aangenaam zorgzaam voel ik me ten opzichte van de veiligheid van mijn cliënten, van mijn cliënten onderling, de onderbuurvrouw met wie ik het trappenhuis deel, en mezelf. Echt blij ook, omdat ik weer live kan gaan na alle video calls en telefoongesprekken, die in sommige gevallen toch iets halfslachtigs hebben. ‘Send’ en klaar. Na een paar minuten al -ping!- de eerste reactie. De live agenda vult zich weer. Het krukje, waarop in de praktijkruimte mijn phone voor de videocalls geïnstalleerd was, komt met een bloemetje en een flacon handgel bij de voordeur te staan. Mentaal begin ik me ook voor te bereiden op het openstellen van mijn tien weken lang zorgvuldig afgeschermde bubbel.

Tussen het maken van afspraken door kreeg ik een cliënte aan de telefoon die erg graag terug wilde komen, maar die de maatregelenbrief niet goed verteren kon. Het natuurlijke, vanzelfsprekende contact wat ze samen met mij met moeite en pijn had weten op te bouwen, werd voor haar gevoel doorkruist. Zelden heeft ze zich ergens werkelijk welkom gevoeld, te beginnen bij ouders die zich midden in hun rouw om hun overleden kindje geconfronteerd zagen met een nieuwe zwangerschap. Een zwangerschap die ze nog niet aan konden. Ze lieten het nieuwe kind, mijn cliënte, levenslang op de breekbare eierschalen van hun pijn ronddolen. Sorry, sorry, sorry! Sorry dat ik besta. Ze sprak het nooit uit, maar het werd wel haar grondhouding.

Sorry dat ik niet mijn zusje ben.
Sorry dat het me maar niet lukt om volmaakt te zijn zoals mijn zusje zeker zou zijn geworden … áls ze de kans had gekregen.
Maar ik doe mijn best. Mijn uiterste best en ik klaag niet.

Ze sprak het nooit uit, maar het werd wel deel twee van haar grondhouding.

Mijn maatregelenbrief was voor haar een verborgen en bijna onoverkomelijke boodschap: jou wordt de toegang tot je veilige ruimte ontzegd als je niet aan de eisen voldoet; jij bent niet welkom als je niet volmaakt en zonder te mopperen in het Coronamaatregelenplaatje past. 

Maar mijn cliënte was moedig… en mopperde toch. En ze was verdrietig… en huilde. Het verhaaltje “Voor je eigen veiligheid en die van de ander” hoefde ik haar heus niet op te dissen, ze kan tellen. Dus bleef er gelukkig niets anders over dan gewoon naar haar luisteren en me in haar inleven. Het was niet moeilijk toen ik mij eenmaal over mijn eerste (onuitgesproken) reactie had heen gezet, te weten: Maar ik schrijf die brief toch niet om jou te pesten? Ja haar verdriet was wel degelijk legitiem, voor zover verdriet dat niet altijd al is. Tussen haar en mij & haar safe space waren drempels opgeworpen. En het maakte even niet uit hoe perfect de redenen daarvoor eventueel te verdedigen waren.

Al pratend bedaarde ze wat. We bespraken de marge van bepaalde maatregelen en wat we zouden kunnen doen om de  speelruimte op een aantal aanvaardbare manieren wat te vergroten. Over een specifiek punt (waarover de meningen inderdaad zeer verdeeld zijn) struikelde ze het hardst. Ik woon in de stad en doe binnenshuis altijd mijn schoenen uit om geen straatvuil mee te nemen. Enkel mijn cliënten lopen geschoeid het huis hier in en uit. Nu, in Corona tijden, werd de grond me wat te heet onder de voeten en trek ik die regel door naar hen en vraag daarom om extra sokken of slofjes mee te brengen. En dàt zag mijn cliënte zichzelf nog niet doen. “Oké,” zei ik “laat me denken … Ik leg een natte dweil neer met product erin en dan ga je daar even op staan met je schoenen aan. Ook goed.”

“Ach …” zei ze.
“Tsja…” zei ze.

Ik liet het zo. Een week later was het zover. Ik verwelkomde haar met het bekende hindoe gebaar in de voordeur. Boven haar mondmasker lachten haar ogen me tegemoet. Toen ze spontaan haar gympjes uit begon te trekken, keek ik haar verrast aan. “Moet ik niet even een dweil voor je halen?” “Nee,” zei ze “ik vind het niet erg.” Eenmaal op de afwasbare stoelen en voldoende ver uit elkaar om veilig te blijven, maar niet te ver om niet meer nabij te kunnen zijn, deden we onze mondmaskers af en was het een blij weerzien na bijna drie maanden.

Het is net als met angsten; vlucht er niet voor weg. Kom ze een klein eindje tegemoet. Als ik vroeger beefde voor De Slang Onder Mijn Bed (we hadden er ook eentje in onze wc-pot), beargumenteerde mijn vader hoe er met geen mogelijkheid een slang onder mijn bed kon zitten. Zàl wel. Maar waar ik werkelijk iets aan had was het feit dat hij toch ook nog even ter geruststelling door de knieën ging voor een korte inspectie. Niets te zien. Gerustgesteld voor die nacht kon ik gaan slapen.

Zo wil je toch behandeld worden? Dat je mag uiten wat je denkt en voelt, redelijk of niet; er wordt naar je geluisterd, je wordt serieus genomen. Pas dan kan eventueel de rust ontstaan om naar de ander en diens argumenten te luisteren en ze tot je door te laten dringen. Op die grens kan werkelijk contact ontstaan. Van daaraf ga je hand-in-hand. En hand-in-hand waag je je op paden die je in je eentje niet zou durven of zelfs kunnen gaan.

De ervaring van kwetsbaarheid (en daarmee viseer ik niet de nu zo veel besproken 80-plussers), heeft de neiging om toe te nemen in bedreigde tijden. Kleine hobbels worden voor broze mensen hoge bergen. Bevoogding, betutteling en pampering, helpen niet. Ze roepen integendeel meer angsten op en in hun verlengde dus weerstand, of erger nog, apathie.

Mijn Coronamaatregelen bericht heb ik na het gesprek met mijn cliënte ietwat aangepast, minder ‘streng’ gemaakt; door haar wakker geschud voor een aspect waar ik te weinig rekening mee had gehouden. Hand-in-hand, zoals ik al zei.

foto gemaakt door Evamaria tijdens eerste lockdown

Achter glas

Wegens de in België vrij strenge covid-19 maatregelen is het heel moeilijk en vaak onmogelijk geworden om onze ouders en grootouders, die eenzaam zitten te verpieteren in sterfhuizen, te bezoeken.
Tijdens een video call die ik vandaag had met een cliënte, vertelde die me dat ze haar oma onder strikte Corona maatregelen voor de eerste keer sedert acht weken lockdown had gezien. Ze verlangden allebei enorm naar dat contact. Toch overwoog mijn cliënte om niet meer terug te gaan. Waarom ze het bij dit ene bezoekje wilde laten? Kijk, haar oma was toch zo verdrietig geweest toen het afscheid naderde.

Dit deed me denken aan een voorval, lang geleden in het ziekenhuis. Ons dochtertje was op dag drie met spoed in de couveuse beland. Er volgde een volledige bloedtransfusie en verder was het afwachten of het goed zou komen. Bange dagen volgden. De couveuse afdeling lag direct bij mij om de hoek. Mijn kamer was de meest nabije van de hele gang. Als de verpleegsters de telefoon bij de couveuse hielden en ik de geluidjes van mijn wakker wordende dochter hoorde, stond ik binnen de minuut bij haar, zachtjes tegen haar pratend, mijn handen rustten in de couveuse op haar lijfje tot ze helemaal tevreden was. Vaak moest ik echter plaats ruimen voor de meer gespecialiseerde zorg, die ik niet kon geven. De verpleging, dat voelde ik wel aan, had daar liever geen pottenkijkers bij. Ik werkte mee, zij het met zwaar hart. Groot was dan ook mijn schrik toen mij voorgesteld werd om minder te komen. Mijn kleintje ‘bleef zo lang onrustig als ik weer weg was ze leek me wel te zoeken’ werd er gezegd.
PRACHTIG! Ondanks de hoge muren die plots tussen ons prille moeder-dochtercontact waren opgetrokken, ontstond er dus hechting bij haar; er was iets niet in orde als mama er niet was. Ze leerde wat het was om iemand te missen en diegene dan weer terug te vinden. En ja, pijn en rouw zijn de keerzijde van hechting. De gevolgen van je niet mogen hechten zijn echter veel desastreuzer. “Minder komen?”, zei ik dan ook, “Geen sprake van. Ik wil haar juist nog vaker zien. Alle wakkere momenten wil ik vanaf nu bij haar zijn.” Dat is de invulling van een heel normale, mooie en levensreddende behoefte van een pasgeboren kind, zeker bij pijn en ziekte. Mijn uitleg werd geaccepteerd en bijgevolg ook mijn veelvuldige aanwezigheid. Als ze wakker was tenminste, want ze sliep met een gerust hartje steeds vele genezende uren achter elkaar door. Een engel van een baby. Geen enkele onrust meer. 

Toen ik deze herinnering met mijn cliënte deelde, reageerde ze voortvarend: “Vanaf nu bezoek ik oma elke week.” Uit angst voor de pijn van het afscheid kun je niet de essentie van het samenzijn laten vallen, zo werkt dat niet. Dat is het kind met het badwater weggooien.
De rijken, machtigen en drukken der aarde, die gebruik maken van nannies, gouvernantes en aanverwanten, wisselen vaak elk jaar van personeel. Dit omdat ze niet willen dat hun kroost zich aan een ander hecht dan aan hen, de ouders die veel te vaak weg zijn of moeten zijn. Puur egoïsme dus en ik vind het een vorm van dubbele verwaarlozing. Als je je kind niet voldoende nabijheid kunt bieden, gun het dan tenminste die van een ander.

In feite is dit ook een patroon binnen echtscheidingen, waarbij de ene ouder de kinderen helemaal of gedeeltelijk los moet laten om het het kind mogelijk te maken zich in vrijheid wel of niet te verbinden met een nieuwe partner van de andere ouder. Dit is de zwaarste lakmoesproef voor onvoorwaardelijk ouderschap. Ik ken er een paar die dit, niet zonder moeite, niet zonder slag of stoot, niet zonder innerlijke worstelingen, toch voor elkaar krijgen.

foto gemaakt door Evamaria tijdens eerste lockdown

Nog even niet!

Zesentwintig april van het onvergetelijke jaar tweeduizendtwintig. Een schokkerig bewegend beeld verschijnt op het schermpje van mijn smartphone, veel ondersteboven voorbij flitsend groen en uiteindelijk het doelwit: een kring Turkse mensen, op één grote deken. Of het om een familie gaat of om een groepje vrienden met kinderen, valt vanaf de buitenkant niet in te schatten. In hun midden op de deken staan schalen uitgestald: couscous & rozijnen, tahina, köfte, sarma, borek, olijven, tomaten, geitenkaas en yoghurt. Zoiets. Dit op een openbaar grasveld in volle Coronatijd. Op een prachtige zomerse zondagnamiddag. 

Een brave burger is hier aan de slag met zijn eigen smartphone, het nieuwe wapen dat voor velen de pen vervangt. Hij voorziet de beelden van de razende reprimande waarmee hij het groepje opschrikt. Dit privé initiatief deelt hij even later met de wereld, met de vraag het filmpje vooral verder te delen. Hij schaamt zich niet voor het naakte racisme dat spreekt uit zijn beschuldigingen aan het adres van de picknickers. Alsof hij en wij allemaal ons strikt aan de Corona maatregelen houden en de huidige epidemie puur te danken hebben aan muitende Turken die samen op een dekentje zitten te smikkelen. 

Ik kom óók buiten. Mijn leeftijd en een nierdingetje zouden van mij een zogenaamd hoog risico patiënt maken en ik neem dan ook alle voorzorgsmaatregelen die ik maar kan bedenken om besmetting te voorkomen. Wat ik niet verhinderen kan, is het veelvuldig bijna in botsing komen met het toenemend aantal mensen dat zich in topjes en sportbroekjes al puffend en zwetend voort jogt, skeelert, fietst, skateboard of in ludieke combinaties daarvan. Transmissiezone: zes meter in plaats van de beruchte en sowieso al te krappe anderhalve meter en dat gebied breidt zich door beweging ook nog eens snel in de lengte uit – déden die fitte jongens maar van top tot teen ingepakt in een boerka hun buik-, rek- en strekoefeningen, opdrukkertjes, surplacekes en fietsbewegingen op een dekentje – niet voor niets is joggen nog steeds verboden. Maar waag het niet mensen om social distance te vragen. Ik héb het gewaagd en kreeg de middelvinger, het bekdichtgebaar en natuurlijk de eeuwige dooddoener, de kers op de taart: mijn Nederlandse accent.

Het zijn allemaal gewone landgenoten. Er is me tijdens die bijna-botsingen nooit opgevallen dat een overwegend deel Turks of anderszins buitenlands zou zijn.

Op diezelfde prachtige zomermiddag als waarop het bewuste filmpje ontstond, wilde ik tijdens mijn wandeling even wat uitrusten in de schaduw van een paar bomen.  Ik moest al snel opschuiven voor vijf luidruchtige mannen die om bij hun bankjes te komen het afzetlint eromheen wegrukten en de op de bankjes aangebrachte signalen ‘In Gent gaan wij er niet bij neerzitten’ in die zin strikt opvolgden dat ze er ‘In Gent gaan wij erbij neerliggen’ van maakten. Een penetrante geur van mensen die al heel lang puur bier zweten, walmde mijn kant op en hun lege blikjes en strijdkreten vlogen in het rond. En weer geen Turk te zien. Een politiecombi vertraagde, de agent bekeek de situatie vanuit zijn geopende raampje en besliste om zonder in te grijpen weer op te trekken. De willekeur. Deze week nog hoorde ik tijdens een telefonisch consult dat een cliënt met zijn vriendin al pratend even stil stond op een paadje in een park. Een politieagent maande hen verder te lopen, ze mochten niet stilstaan.  Wat ik vreemd vind, gezien de verminderde verspreiding van het Covid-19 virus bij stilstand, maar over de logica van bepaalde maatregelen denk ik binnen deze column even niet hardop na.

Ik haalde tot voor een maand eens in de week mijn groenten uit wat een kruising zou kunnen zijn tussen een winkeltje en een groentekraampje. Familiebedrijfje. Goedkoop, vers en een vriendelijke bediening. Ze doen niet veel aan preventie, om niet te zeggen niets. Het was dus heel erg oppassen daar. Tijdens mijn laatste keer was een keurige oudere landgenote met heel veel heen en weer gemanoeuvreer nog niet te ontwijken. Uiteindelijk botste ze voluit tegen mij op. Het lag niet aan mij. Mijn “Maar mevrouw, u moet afstand houden! U brengt uzelf en mij in gevaar” wuifde ze weg met de woorden: “Maar ik moet toch kunnen wínkelen?!” Het personeel rolde met de ogen. Om haar of om mij? Dat weet je momenteel nooit; moraalridders vormen óók geen leuk volkje. Maar bij de niet beschermde kassa zei de evenmin beschermde baas van het zaakje dat ik eens moest weten wat voor idioterie hij allemaal te zien krijgt qua overtredingen op de maatregelen … Pffff, ik ging vrij uit en durfde nu openlijk naar mijn flesje ontsmettingsgel te grijpen.

Troost breng het feit dat van dit voorval de incubatietijd voorbij is. En ik troost me vooral met de luxe dat ik, als ik wil, ook volledig thuis kan blijven en dat ik als ik wil, of liever gezegd wens, mijn boodschappen kan laten bezorgen (maar er is enig computerwerk voor nodig wat ik niet spontaan beheers, zodat ik net als veel van  mijn generatiegenoten en ouder nu klem kom te zitten). Het is hier goed. Het uitzicht is mooi. De buurt is nu rustig. De Leie kabbelt ongehinderd en geruisloos voor mijn balkon langs, met jonge eenden-families erop dobberend, die niet steeds alle kanten op moeten stuiven om de eeuwige stroom rondvaartboten te ontwijken. Nooit was ik dankbaarder voor deze plek dan nu.

Toch moet ik iets bekennen. Zo boos en agressief als de Gentenaar van de inleiding was … ben ik vaak ook. 

Boos op iedereen die de middelvinger opsteekt tegen zowel de opgelegde als de beleefd gesuggereerde maatregelen. Schrikwekkend boos word ik er zelfs van. Ik hoor mezelf dezer dagen tegen mijn man dingen zeggen als: “Je zou ze toch met de koppen tegen elkaar slaan?” (hij, stoïcijns: “Nee, de koppen moeten juist uit elkaar!”) en: “In deze tijden nog zulk egoïstisch gedrag … zijn ze niet om neer te maaien?!” (hij: “Klootzakken blijven klootzakken, ook in crisistijden”) en: “Hoe onwaarschijnlijk diep kun je als mens eigenlijk zinken, vloekerdevloekerdevloek.” Enzovoorts. Mijn emoties bereiken in sommige gevallen zelfs iets wat grenst aan haat. Mijn veiligheid wordt door onthutsend dom, egoïstisch en arrogant gedrag bedreigd. Ja, ook arrogant. Want zijn al diegenen die zich niet aan de regels houden soms virologen, die het dus beter weten dan wij, terwijl de virologen er onderling nog niet eens uit zijn? En wanen ze zich bovendien onsterfelijk? Waar halen ze het vandaan om ervanuit te gaan dat ze vrijelijk over andermans welbevinden mogen beslissen? Het flagrante van die inbreuk kun je toch zelfs met één hersencel nog vatten?

Áls ik de mainstream media mag geloven, zijn wij in oorlog met het Covid-19 virus waar we nog steeds veel te weinig van af weten. We blijven maar achter de verbijsterende feiten aan hollen. We bevechten in losgeslagen groepen een onzichtbare, onberekenbare en razendsnelle vijand. Je kunt het ook een guerrilla oorlog noemen.

Vanuit onze gemakkelijke stoel kunnen we ons het verraad en de misse daden die in oorlogstijd gepleegd worden vaak met geen mogelijkheid voorstellen. Eén ding is zeker: jij en ik zouden het nooit doen!

Ik mag het hopen. Wat ik nu hoor, zie en soms in mezelf voel opvlammen, doet me voor de zoveelste keer denken: zeg nooit nooit. De meest vredelievende en wellevende vriendin die ik heb – zo eentje die bomen omhelst, een wijd verbreide vriendenkring met haar warme zorgen omhult en in parken weggegooide flessendoppen opraapt voor het goede doel – is onlangs ook ontspoord. Middenin de Albert Heijn gebeurde het nooit geziene. Tot haar eigen verbijstering sloeg ze tilt en haalde uit naar een man die haar personal space maar niet wilde respecteren en uiteindelijk ook nog in haar gezicht en over de groenten heen niesde. Honderdduizend kleine druppeltjes die met een vaartje van tot honderdzestig kilometer per uur de ruimte in geslingerd werden. In blinde woede gaf ze hem een geweldige lel om zijn oren. Blijkbaar komen in crisis niet alleen de beste kanten in ons naar boven, maar ook de slechtste en de domste (want hard wegrennen was misschien handiger geweest). 

PS Ik heb er genoegen in geschept om het hier gewraakte filmpje niet te delen.

Het beeld van Michael Borremans staat voor overdracht van kennis en is op 26 april 2020 gefotografeerd door mij bij de Crook in Gentael Borremans

Het virus dat ons bindt en scheidt

En plots vielen we met z’n allen een beetje stil.  Plots kregen velen zeeën van tijd. Hoewel we dat natuurlijk op geen enkel moment van ons bestaan zeker weten. We leven alsof het niet op kan, maar in deze tijden worden we wél met onze neus op onze eindigheid gedrukt. En op die van de ander; je kind, je moeder, je broer, je oma, je buurman, een vriend, je geliefde.

Gelukkig is de zon er dezer dagen overvloedig. Ze schuift zich troostend tussen jou en doemgedachten.

We vielen plots een beetje stil. Allereerst, in een vroeg stadium, na een vermoeden van corona, sloot ik mijn praktijk. Maar snel volgden het openbare leven en nu ook mijn gezinsleven voor een goed deel. Nee we zitten niet samen aan de eettafel Monopoly te spelen of desnoods schaak. We zitten elk in zelfopgelegde quarantaine op een andere plek. Nooit eerder zoveel gebabbeld via sociale media als nu, dat wel.

Zeeën van tijd dus. Ik zou aan mijn boek kunnen werken, maar het lukt me niet. Ik had een column willen schrijven over het soms zo onverantwoorde gedrag van voornamelijk de jeugd en waarom het zo logisch is dat ze de plank mis slaat in deze crisistijd. Ze heeft tot nog toe geen oorlog, geen droogte, geen honger, geen aardbevingen noch tsunami’s aan den lijve ondervonden. Onze jeugd is op dat vlak zwaar verwend en heeft niet geleerd dat dreigend onheil zomaar in een werkelijke nachtmerrie kan omslaan. ‘Het zal ons huisje wel weer stilletjes voorbij gaan’ is hun schild tegen de onbevattelijke werkelijkheid. Precies datgene waarvan de veel bezongen Sinterklaas telkens weer werd verdacht. 

Tot zover mijn geplande column, want die kwam al net zomin uit mijn pen.  

Totdat een beeld mij wakker schopte uit mijn Corona-lethargie; een van op de achtergrond opdoemende, naar mij zwaaiende vrouw terwijl ik in een video-call zat met mijn zoon. De vrouw? Lief, vriendelijk en zeer zorgzaam, dat was niet het probleem. Onze zoon wens ik alle lieve vriendelijke en zorgzame vrouwen van de wereld en in alle leeftijden toe, maar niet nu. Onze zoon, wiens immuniteit met medicatie praktisch lamgelegd is na een transplantatie. Wat er met hem gebeurt als die watervlugge Covid-19 hem in haar klauwen krijgt? Daar durf ik nauwelijks aan te denken, laat staan dat ik het lot ga tarten door het op te schrijven.

Om oeverloos leed na alles wat hij al geleden heeft te voorkomen, zit hij bij zijn vader op het platteland. Daar wordt hij naar beste kunnen verzorgd en beveiligd. In twee prima eigen kamers zit hij zijn vermoedelijk nog maandenlange quarantaine goed gemutst uit. Hij wordt omhuld en dat voelt hij. Zijn vader heeft mede om hem ook al in een vroeg stadium zijn praktijk aan huis gesloten. Wat dat betreft kan mijn moederhart niet beter wensen.

Waaróm zitten wij overigens niet met ons allen rond die eerder genoemde keukentafel een kaartspel ofzo te spelen, zoals we vroeger zoveel deden en met oeverloos plezier? Op de tafel beukend van het lachen? 

Als je man, misschien om goede redenen, een minnares heeft, wordt jullie intimiteit doorbroken door een stel oren dat eigenlijk continu een beetje mee luistert in jouw huis. In een verder stadium kan zij via je man mee de regels gaan bepalen en nog een tijdje later kun je te horen krijgen dat je man niet meer verder kan zonder haar. Jij bent zijn ‘liefste’, maar zij zijn ‘allerliefste’. Al had je dat nooit voor mogelijk gehouden. Als je elkaar daarover maar lang en stevig genoeg in de haren vliegt, ben je natuurlijk al heel snel zelfs niet meer elkaars ‘liefste.’ Dat vergemakkelijkt de scheiding. Aanvankelijk.

Vanaf het eerste moment waarop ik weer helder denken kon, nam ik het pure wilsbesluit om mijn energie, en vooral die van onze kinderen, niet af te laten vloeien in ‘haar’ en ‘hen’ en schuld. Geen boosdoeners. Boosdoeners die niet eens de eigenlijke boosdoeners hoeven te zijn, maar een gemakkelijk mikpunt kunnen worden van ongelukkige projecties van ongelukkige voormalige gezinsleden of een hele familie. 

Mijn ex-man is inmiddels alweer acht jaar met zijn partner samen. Een goeie combi, zo te zien. Een gezamenlijk huis, dat vaak gevuld wordt met de stemmen en de lach van vier volwassen kinderen met hun gezinnetjes; twee ervan mede door mij opgevoed, twee ervan komend uit mijn schoot. Allemaal zomaar in de hare geworpen. In mijn huis klinkt nooit meer die veelkoppige lach. Ook hier is regelmatig de oefening broodnodig: denk eraan, de kinderen hebben het goed met haar getroffen, laat de rest voor wat hij is! Vergeet dat niet, vergeet dat niet, vergeet dat toch vooral niet… Het lukt! Bijna altijd. Maar nu ging dat even mis. 

Zij werkt met, wat Corona betreft, hoog risicopatiënten, vaak uit de marge van onze samenleving. Ik had het gevaar daarvan al met mijn niet-meer-liefste besproken, die naar aanleiding van mijn bekommernis meegaand mompelde dat ik wel een beetje gelijk had. Daarom leefde ik in de veronderstelling dat ze niet meer in de buurt van ons kind zou komen. Totdat haar vrolijke gezicht als achtergrond op mijn beeldscherm in één rotklap voorgrond werd. 

Heel voorzichtig, omdat ik weet dat iedereen zoekend is en overvallen door een onbekende vijand, heb ik twee dagen later laten weten dat ik wel wat was geschrokken en me voor een voldongen feit voelde geplaatst. 

Meteen een lange mail van mijn ex-man terug. Allereerst alle respect en begrip voor mijn onrust; zij zijn ook bezorgd. Natuurlijk! En dan de boodschap: het is mede hààr huis.

Wàt? Dit is in Coronatijden toch totaal irrelevant? Bovendien heeft ze nog een eigen, goeie stek elders in het land, waar ze prima en niet eens alleen zou kunnen verblijven.

Vervolgens een waslijst van wat zij allemaal voor ons kind heeft gedaan en doet. Dat is waar. Maar helaas opnieuw in deze hartbrekend niet ter zake doende. Liever heb ik dat zij in Coronatijden zo min mogelijk voor hem doet en zo ver mogelijk bij hem vandaan blijft. Nog helemaal afgezien van het feit dat ik al die genoemde opofferingen liever zélf voor mijn kind had gedaan, iets wat elke blinde nog kan zien en dove nog kan horen.

Wat nu? En hoe zit het trouwens met al die ouders die hun kinderen nu helemaal niet meer te zien krijgen omdat de ‘lock-down light’ in hun nadeel is, of zelfs tegen hen wordt gebruikt? Misschien is dat nog frustrerender dan mijn geval, omdat er in die situaties vaak vilein opzet in het spel sluipt. Ik kan mijn machteloosheid enkel van mijn dak gaan schreeuwen.

Goed idee trouwens, er loopt hier toch geen hond in dit leeggelopen voormalig HORECA-paradijs. Geen getuigen van een dolgedraaide psychotherapeut. Het dak op, schreeuwen en dan, voor de zeldzame passant: “Hou anderhalve meter afstand, dat kan uw leven redden en dat van anderen!”

NB Mede omdat het hier herkenbare personen betreft, meld ik graag dat de partner van mijn ex inmiddels is gestopt met werken buiten de deur.

Voor als ik écht niet meer kan

Na de voorbije commotie rond de rechtszaak die de zussen van Tine Nys aanspanden, vind ik de tijd meer dan rijp om een column te publiceren die vorig jaar in mijn boek VERLIESKUNST is verschenen. Destijds hàd ik al een stukje over de zaak Tine* op mijn website gezet. Ditmaal deze. Opnieuw blijkt hoe moeilijk euthanasie ligt bij ondraaglijk psychisch lijden. Voor Tine vind ik het zo jammer dat haar laatste wens niet door haar familie gerespecteerd is geweest. Voor haar zusjes zijn de aanloop, haar dood en de nasleep daarvan natuurlijk een trauma. Toch ben ik heel blij dat ze ‘hun’ rechtszaak niet gewonnen hebben. Omdat ik op zich achter de mogelijkheid voor euthanasie in dergelijke omstandigheden sta. Een mogelijkheid die nu door het creëren van angst bij artsen ernstige schade is toegebracht. Door van zo’n laatste wens, die naar eer en geweten en wettelijk in orde is nageleefd, een rechtszaak te maken met een dergelijke hoge inzet hebben meerdere artsen nu al hun toezeggingen ingetrokken.

De mensen die terecht stonden voor moord, hebben het predicaat ‘moordenaar’ mijns inziens niet verdiend. Ik ken verscheidene van hen persoonlijk, plus een paar die met de feiten te maken hadden en eveneens in het nieuws kwamen. Maar ik weet ook uit de eerste hand dat enkelen van hen deontologisch niet altijd zuiver op de graat te werk zijn gegaan als ze eenmaal op dreef waren om iemand uit zijn of haar lijden te verlossen. Daar zit één van de valkuilen die de discussie over grote omzichtigheid bij euthanasie terecht op gang houden. En opnieuw is de gevaarlijkste persoon die ik in dat opzicht ken, niet eens als dader in beeld geweest. Daarover heerst onrust in kringen waar ik beroepshalve verkeer. Toch blijf ik pleiten voor het op zijn minst even ernstig nemen van mentaal als fysiek lijden.

Voor als ik écht niet meer kan…

Ze houdt van kinderen, dat heeft ze me verteld en ze heeft het bewezen ook; door als gediagnosticeerd border-liner** af te zien  van het krijgen ervan. En ook nog op andere manieren verwezenlijkt ze haar liefde voor het kleine volkje. “Sedert een paar weken,” zei ze me onlangs, “loop ik weer naar flats te kijken. Naar de hoogte ervan en naar de plek waar ik neer zou komen en of daar geen kinderen spelen. En dat terwijl ik me een jaar zó rustig heb gevoeld.”

Een cliënt aan het woord, al wordt haar misschien binnenkort het zwijgen weer opgelegd. Haar jeugd zonder honk; op geen van de vele verre plekken waar ze woonde met haar ouders. Ouders die haar met hun voorbeeld deden toegroeien naar haar latere besluit om zelf geen kinderen te krijgen. Kind-zijn kon je een mens niet aandoen, niet op de manier waarop zij kind moest zijn. Ze heeft geen broers of zussen, geen ooms en tantes, geen ouders meer en geen man. Het voorbeeld van haar ouders was ook de voeding van haar angst om zich blijvend te verbinden. Vriendinnen haakten af door de vele verhuizingen, haar psychiatrische opnames, haar nood, haar eenzaamheid. Niet aantrekkelijk voor de plezier prefererende medemens!

Maar toch, een mooie vrouw, een vriendelijke vrouw, een lieve vrouw.  Intelligent en heel vatbaar voor humor. Eeuwig in de kou, of in de verkeerde handen. Eenzaamheid is, ook bij haar, echt niet altijd zelf gekozen en is een wrede straf voor iets wat ze niet gedaan heeft. Ze zou het althans niet weten.

De afgelopen jaren was ik getuige van haar dagelijkse strijd om de moed bij elkaar te rapen om door te blijven ademen; om steeds weer de enorme krachten te mobiliseren die nodig zijn om haar levensangsten zover te bedwingen dat ze haar niet volkomen lamleggen  -soms heeft ze gewoon drie dagen geen eten omdat ze de deur niet uit durft voor boodschappen- ; om niet op de eerste de beste torenflat waar geen kinderen onder spelen, te klimmen en de sprong richting verlossing van de pijn te wagen.

“Het mag niet, het mag niet, het mag niet….” Van wie niet? Wie bepaalt dat? Wie weet dat?

Ik in elk geval niet. Gesprekken met haar over een eventueel zelf gekozen einde aan dit al veertig jaar durend uitzichtloze geestelijke lijden worden dan ook allerminst door mij begeleid met het vermanende vingertje. En juist dat heeft haar een zekere mate van rust gebracht vanaf de allereerste keer dat ze het (spijtig genoeg taboe)-onderwerp durfde aan te snijden en geen oordelen over zich heen kreeg. De rust werd nog wat dieper toen ze eenmaal haar papieren  voor haar euthanasie in orde had; er is een uitweg voorzien voor als ik écht niet meer kan. Dat besef deed haar lichter ademen, maakte haar vrolijker, minder bang en –verdomd nog aan toe- vechtlustiger om vol te blijven houden!

Bekend is, dat bij patiënten aan wie een pijnstiller is beloofd, of die ervan verzekerd zijn dat ze zolang ze pijn hebben niet alleen gelaten worden, de pijndrempel aanzienlijk hoger komt te liggen. Ze kunnen met andere woorden veel meer pijn aan als er verlossing of verlichting in zicht is en hun pijn dus als probleem erkend.

En juist dàt is een aspect van de grote genade die wettelijke erkenning van de gelijkheid in legitimiteit en ondraaglijkheid van zowel uitzichtloos geestelijk lijden als uitzichtloze lichamelijke pijn is.

Als een jonge vrouw op de teevee verklaart dat ze twee dagen voor haar (wegens ondraaglijk en uitzichtloos geestelijk lijden) toegestane euthanasie tot bezinning kwam en besloten heeft om alsnog voor het leven te gaan, dan vermoed ik dat dit besluit heeft kunnen ontkiemen en groeien in de bedding van de mentale, relatieve rust na de toestemming voor euthanasie. De kans is, naar mijn ervaring en kennis als psychotherapeut en rouwtherapeut, niet gering dat ze vandaag nog leeft dankzij die toestemming, en niet ondanks..

Ik heb meerdere mensen gekend die hun euthanasiepapieren in orde kregen en er daarna nooit meer naar getaald hebben tot aan hun natuurlijke dood[1]; ze hadden namelijk rust. Het weten dat er een uitweg was, bleek voldoende steun te geven om de hele weg te gaan. Er was een man bij met ALS[2], twee vrouwen met MS[3], twee vrouwen met CVS[4], een oudere vrouw met een simpele verhuisdepressie (…), een vrouw die maar niet over een zeer traumatiserende verkrachting heen kwam en een man die het faillissement van zijn familiebedrijf als het einde van zijn leven ervoer.   

Dat is mede de kracht van het mogen nemen van een beslissing. Als die je tenminste niet uit handen wordt genomen bij de wet. Als je een moeilijke keuze moet maken tussen meerdere zaken, kan het helpen het om innerlijk gewoon voor één ervan te kiezen. Daarna voel je vaak pas of deze keuze echt bij je hoorde of niet en kun je altijd nog erop terugkomen of doorgaan.

Aanhoudende, of steeds weerkerende psychische pijn is isolerend, afmattend en vooral zeer beangstigend. Het besluipt je, je hebt er veel minder controle over dan je zou willen en je voelt je mede daardoor voortdurend schuldig dat het je maar niet lukt om te leven ‘zoals iedereen’ ondanks alle goede raad van buitenaf (“Jij moet gewóón …” en dan komt het).

Natuurlijk heb ik net als de meesten onder ons aan den lijve ervaren wat angst, pijn, ziekte, zorg, verlies en verdriet zijn, maar sedert ik op de bodem van een zware burn-out maandenlang in een angststoornis ronddoolde, heb ik een nieuwe definitie van het begrip ‘hel’ ontdekt. Dat aan mensen die dit soort martelingen jarenlang en zonder uitzicht op verbetering de mogelijkheid tot een waardige uitweg bij wet geblokkeerd wordt, vind ik niet meer van deze tijd. Een tijd waarin baby’s nog steeds tot zeven, ZEVEN, maanden geaborteerd kunnen worden omdat de moeder of de beide ouders de komst van het kind niet wensen (wegens uitzichtloos fysiek en/of mentaal lijden van ouders en/of kind wellicht).

Ik betreur het ten diepste dat de getuigenis van een jonge vrouw die op het laatste moment alsnog voor het leven koos, door de kromme redenering dat het recht op euthanasie bij uitzichtloos geestelijk lijden dus weer afgeschaft moet worden, voor vele anderen zal betekenen dat ze weer op de trieste zoektocht moeten gaan naar balken, deurknoppen en verwarmingsbuizen om zich aan op te knopen, gasovens om hun hoofden in te steken, onbetrouwbare medicijnencombinaties om in te nemen, scheermesjes om hun polsen mee over te snijden in een bad vol heet water, bouwputten om in te springen, torenflats om af te springen, treinen om onder te springen, water om vanaf een brug in te springen, een woestijn om in te roepen. De ultieme eenzaamheid tot op het bittere einde.

En wat met de nabestaanden na een dergelijke mensonwaardige wanhoopsdaad?


[1] Degenen die vandaag nog in leven zijn, zijn op andere paden geraakt en maken het redelijk tot goed

[2] ALS: Amyotrofe Laterale Sclerose, motorneuronziekte

[3] MS: Multiple sclerose

[4] CVS: Chronisch Vermoeidheid Syndroom [4] Degenen die vandaag nog in leven zijn, zijn op andere paden geraakt en maken het redelijk tot goed

*Tine Nys, fysiek gezond, maar geestelijk al een hele tijd aan het eind van haar krachten, besloot om euthanasie aan te vragen, die tien jaar geleden redelijk correct werd uitgevoerd. Haar zussen kwamen destijds al in opstand en haalden hiermee de kranten.

**Borderline is een  veel omvattend en mede daardoor wat vaag begrip uit de psychiatrie. Het wordt omschreven als een persoonlijkheidsstoornis die is gekenmerkt door ‘abnormaal gedrag’ dat zich vooral uit in onstabiele, chaotische, te snel en te heftig aangegane relaties, een onstabiel zelfbeeld, slechte zelfkennis en hevige stemmingswisselingen. Vaak is er ook sprake van een sterke verlatingsangst (aanklampend gedrag, vaak heel lief voor iedereen die ook maar een beetje lief is voor hen ), impulsief gedrag, zelfverminking en een gevoel van leegte. Eetstoornissen, angststoornissen, middelengebruik, korte periodes van psychose, van derealisatieverschijnselen kunnen voor komen, evenals suïcidale neigingen. De diagnose ‘borderliner’ is niet zo gemakkelijk te stellen, heel veel van voorgaande zaken kunnen bij voorbeeld ook bij een diepe depressie horen. In dit geval voldeed de cliënte echter  inderdaad aan de combinatie van flink wat symptomen uit de reeks.

(***) In Uitweg, beschrijven Boudewijn Chabot en Stella Braam uitvoerig drie zelfeuthanasiemethodes. Persoonlijk denk ik dat ze inmiddels wat verouderd zijn en weet ik dat er gemakkelijkere methodes zijn.

kunst: Hilde Vandenhout

Een goeie dag

Het is een ‘goeie’ dag. In de knisperend koude gezelligheid van de adventstijd wandelen ze stijf gearmd door het oude stadscentrum. Overal twinkelen en tingelen hen lichtjes en muziek tegemoet. Als je maar uit de winkels blijft, heeft het centrum een zekere bekoring. Ze genieten ervan, de moeder en de dochter. Moeder, een dame met glanzend zilverwit haar, een mooie slag erin, de dochter met een kort koppetje waaraan je ziet dat ook zij al aan de ‘verkeerde’ kant van de vijftig zit. Beiden beschaafd tot in de toppen van hun tenen. Intelligente vrouwen, de vriendelijkheid straalt bovendien van hen af.

De wind trekt wat aan en dochter stelt voor om ergens binnen een kopje koffie te gaan drinken.

“Hè, gezellig,” stemt moeder in, “koffie zei je? Ja, daar heb ik wel zin in, nu je het zegt.”

Aan een tafeltje gezeten -kerstroos erop, waxinelichtje aan- komt moeder op haar beslissing terug. Ze vind de keuze een beetje lastig.

“Koffie, thee of misschien liever al een aperitiefje?” helpt dochter haar, “Ik trakteer.”

“Maar lieve mens, wat ben je toch goed voor mij. Ja, doe mij maar een hete chocomelk.”

Ze moeten even wachten eer de ober er is; de adventsdrukte heeft ook hier volop zijn vleugels uitgeslagen. Ineens stoot moeder onder tafel onopvallend met haar tasje haar dochter aan en fluistert uit haar mondhoek:

“Kijk eens naar die vrouw daar. Naar die mevrouw met haar paarse jasje.” Dochter speurt besmuikt om zich heen en ontdekt een vrouw van middelbare leeftijd. In het paars inderdaad. “Ja,” zegt ze “mam, ik zie haar. Wat is er loos?”

“Is mijn lerares op het gymnasium geweest,” lispelt moeder.

Net als de ober eindelijk in het zicht komt, reageert dochter: “Jeetje wat toevallig, terwijl je in Nieuw Zeeland op school zat toch?” Moeder is weer bezig met haar tasje. “En wat ziet ze er nog goed uit, die lerares van je. Wat leuk voor je! Mam, met slagroom toch hè?” checkt ze nog even.

Nu begint moeder te snuiven. “Alsjeblieft niet zeg!” fluistert ze geagiteerd, “het was een kreng, ik kon haar wel wurgen. Met slagroom, stel je voor…”

“Oké,” zegt dochter monter, “slagroom dus niet, maar wel chocomelk. Komt in orde.”

Als ze de bestelling doorgeeft, maakt moeder er op de valreep toch maar een theetje van in plaats van warme chocolademelk.

“Graag twee thee, meneer, ik doe met mijn moeder mee, dank u wel”.

De ober is alweer met andere dingen bezig als moeder zijn verdwijnende rug achterna roept: “Mét slagroom, beste man!”

“Tweemaal thee met slagroom” past dochter haar eigen bestelling nu ook weer aan. Moeder kijkt haar eerst verbaasd, dan stralend aan:

“Hoe prettig, allebei precies hetzelfde, met z’n tweetjes! Dat krijg je toch niet verzonnen?”

“Ja, wij met z’n tweetjes…” bevestigt de dochter de veilige woorden en ze steekt over het tafeltje heen haar hand uit naar die van de moeder.

Moeder begint, ontspannen nu de keuze vast staat, onbedaarlijk te giechelen, “Stel je voor, iemand wurgen met slagroom…” Het is aanstekelijk. Dochter krijgt ook de slappe lach. Samen ‘met z’n tweetjes’, hand in hand verslikken ze zich er  bijna van in hun thee. De slagroom blijft natuurlijk onaangeroerd op de schoteltjes liggen.

Ja, het is een goeie dag vandaag.

Op het toenemend aantal slechte dagen lijkt moeder een bijna lege –heel lieve- huls en die dagen schuiven steeds meer over het oude, vertrouwde  beeld heen.

Alzheimer is een hartvochtige ziekte. Denk alleen al aan het langzame verlies van vrijheid, controle en spraakvermogen, om maar een paar bijzonder angstige ervaringen te benoemen.

Maar soms pakt het toch nog een beetje positief uit. Dan raakt een vrouw niet haar innemendheid kwijt en verdwijnen wel de ontzettende herinneringen aan het plotse sterven van haar nog jonge, enige zoon. Een parel van een man was dat, zijn dood een verpletterend verlies voor velen, maar waarschijnlijk vooral voor zijn moeder. Een vrouw die haar man als steun en toeverlaat ook al zo lang moest missen. Alzheimer heeft zich uiteindelijk genadig over de herinneringen van deze zo zachtaardige dame ontfermd.

Wannes Deleu schreef het onlangs: Voor ik het vergeet. Over leven met dementie. “Soms stap je beter mee in de bijzondere leefwereld van iemand met dementie, al is het maar een paar passen, even de grens over, even rondkijken.”

Met veel dank aan P.H.H.

In liefdevolle herinnering aan haar broer  W.H.

Verbinding en verzet

Verbinding en verzet

Jarenlang waanden we ons in een hoog boven het dagelijkse geroezemoes van een stad verheven veilige vesting aan het water. ’s Nachts dan. Overdag was dat niet nodig. Maar nu heeft een jonge huurder met een uitgebreide vriendenkring zich in een flat genesteld die al die tijd had leeg gestaan. Hij beschikt daardoor over een immens terras  dat zich boven ons halve appartement uitstrekt. Het heeft een houten vloer. Dat zorgt voor de nodige akoestiek. Op de bovenverdieping sluit het aan op ons dak en …  dakvenster waarachter wij slapen. Overdag hebben we nauwelijks last van hem en ook ‘ s avonds houdt hij zich rustig. Dus net als vroeger kruipen wij lekker ver weg van alles, rond een uur of elf onder de wol. Steevast rond kwart voor twaalf echter, floept zijn feestverlichting aan, beginnen de kurken te knallen en wordt er luidruchtig genoten van de prachtige juninachten aan de Leie. De jeugd laat zich niet hinderen door ons openstaande raam. Ondanks de hitte sluiten we het na een tijdje als de wietgeuren ons helemaal wee gemaakt hebben. Koele regennachten zijn net zo welkom geworden als het vorige jaar tijdens die verzengende, kurkdroge zomer. Nog nooit hebben we ons in het voorjaar al  verheugd op de winter, maar nu is het zover. Dat we ons raam ostentatief dichtdoen is voor hen kennelijk ook niet het minste teken dat we last van ze hebben. Toegegeven, ze schreeuwen niet echt en zetten geen harde muziek op. We kunnen dus weinig tegen hen inbrengen. Onlangs lagen we vijf nachten achter elkaar tot de ochtend wakker. Er moest iets gebeuren als het weer de volgende nacht ook goed zou blijven. Een rituele regendans hebben wij niet onder de knie, dus het was weer raak; een wonderschone nachtelijke sterrenhemel strekte zich verdorie weer over ons stil geworden stadje uit.  En jawel hoor, rond middernacht werden we uit onze eerste slaap gerukt. Door de buren. Ik lag te knarsetanden in mijn bed en voelde me diep ellendig, want dit is een onoplosbaar probleem; je kunt jeugd moeilijk verbieden wat lol te maken op hun eigen, fantastische terras. Dat bedenkend, herinnerde ik me ineens weer een ‘slaapliedje’ van vroeger, toen mijn kinderen nog thuis woonden en het vaak later maakten dan wij. Hoe ik luisterde naar hun stemmen en hun plezier en ik me op het ritme daarvan diep tevreden in slaap liet wiegen. Hoe meer stemmen hoe meer vreugd’ was het zelfs. ‘Als ik nu eens net doe of dit mijn kinderen zijn, of vrienden?’, was mijn plotselinge zotte inval, waar ik weinig van verwachtte. Toch even geprobeerd. Even maar, want toen sliep ik al…

Diezelfde week zat ik met de hartsvriendin van mijn zoon, een vrouw die ook míjn hart een beetje gestolen heeft, op een terrasje aan de levendige Korenmarkt. Onder de blakende zon hadden we een plekje met wat schaduw van een echte boom veroverd (knap in Gent) en kletsten we elkaar bij, opgetogen dat we weer eens samen waren. Ik vertelde haar onder meer over mijn jongste aanwinst, de nieuwe slaaptruc. Ze keek me aan en pakte me geraakt bij mijn polsen vast. Want:
ze heeft een half jaar geleden samen met haar lief een prachtig huisje gekocht. De renovatie kun je gerust aan haar kunstenaarshanden en verfijnde smaak over laten. Ook om hen heen één en al pracht. Voor hun huis staan bomen, achteraan liggen de tuin en een zandpad langs een vaart. Echt de hemel. Tot ze er na de verbouwing definitief in trokken en feestelijk aan hun allereerste nacht in hun eerste gezamenlijke nest begonnen. Het zandpad blijkt een illegale doorgang voor vrachtwagens te zijn, die daarmee (enkel ’s nachts) een heel stuk weg afsnijden. Dat scheelt hen tijd, daar de route niet alleen korter is, maar ze ook geen vaart minderen. Het huis van mijn vrienden davert de hele nacht en zij liggen wakker tot ze er ziek van worden. Een onoplosbaar probleem. In dezelfde periode als die waarin ik mijn lumineuze inval had, kreeg haar vriend iets dergelijks. ‘Liefste’ had hij gezegd, ‘als we nu eens iets heel onwaarschijnlijks doen en we beelden ons in dat al die vrachtwagens van ons zijn en daar voor ons werken?’ Kom er maar eens op! Niet onbekend met meditatie gingen ze samen aan de slag. ‘En’ zei ze, ‘Evamaria, geloof het of niet, we sliepen als róósjes!’ Ik geloofde het.

Twee voorbeelden van de geheimzinnige kracht van verbinding in plaats van verzet. Een eye-opener van jewelste voor mij. Het is letterlijk op alles toepasbaar en maakt je minder bang, sterker, milder, een extra laagje huid wordt je geschonken. En je slaapt er dus beter van.

Zelfbeeld

In mijn kleerkast hangt één zijden jurk; daarvoor heb ik gewoon de onderste twintig cm van mijn (niet witte, wel eenvoudige) trouwjurk afgeknipt. Dat was niet moeilijk.

Onderin diezelfde kast staat mijn weegschaal. Hier wordt het al lastiger. Er moet namelijk om de zoveel tijd een nieuw speciaal klein batterijtje in worden gedaan. Ik geloof dat ik daarom al zo’n zes jaar niet goed weet hoeveel ik weeg.

Tegenwoordig is dat een paar kilo minder dan op mijn trouwdag, schatte ik, dus nam ik vol gezond vertrouwen het jurkje mee naar een feest in Duitsland. Overdag werd daar goed gegeten en ‘s avonds nam dat nog wat toe in intensiteit. Nader beschouwd ging het middagmaal naadloos over in de taart-met-slagroomronde en vervolgens de avondbarbecue, die met een kleine, slaperige, door maagzuur verstoorde onderbreking werd afgerond met een ontbijt waar het gemiddelde zes-gangendiner niet voor onderdoet. Voordat er ‘s avonds gedanst werd, trok ik mijn zijden jurk aan en merkte dat die mooi aangesloten zat in plaats van losjes, hoe hij eigenlijk hoort te vallen. Er prikte zelfs iets in mijn rug wat ik op mijn bruiloft niet eens gevoeld had. Ik moest minstens vijf kilo zijn aangekomen en die eerste feestdag nog eens drie erbij. Wat voelde ik me de rest van dat weekend ellendig slecht in mijn vel, lelijk en ongemakkelijk. Opgeblazen ook door het vele eten. Ik werd zelfs iets van een kortademigheid gewaar. Terwijl ik mezelf twee dagen voordien nog aanvaardbaar had gevonden, was ik nu mijn zelfvertrouwen volslagen kwijt. 

Eenmaal thuis, ontdekte ik de oorzaak van het hinderlijke geprik in mijn rug; het bleek een nietje te zijn waarmee het bonnetje van de stomerij, waar ik de jurk na de bruiloft heen had gebracht, was vastgehecht. Dat was ik helemaal vergeten … ik had hem (is een bruidsjurk werkelijk mannelijk?) destijds niet zelf durven wassen uit angst dat hij zou krimpen. Maar dat had de stomerij dus alsnog grondig voor me geregeld. Binnen drie seconden voelde ik me weer thuis in mijn lichaam, kreeg ik weer adem en liep lichter over straat. Er werd ook beslist welwillender naar me gekeken, meende ik te zien. 

Ooit had ik een jonge dertiger in therapie, de ‘helft’ van een tweeling. Fijn gebouwd, vriendelijke ogen, prachtig haar. Hij was niet volledig ongeschonden uit de levenslange pesterijen van zijn broer gekomen en zocht hulp. Bleek dat hij veel op zijn uiterlijk was afgerekend en zogenaamd de ‘eerste mannelijke anorexiapatiënt’ zou zijn die zijn broer kende. Wél wilde hij erbij vertellen dat zijn broer effectief een stuk knapper was dan hij, en ook nog eens veel geslaagder in het leven. Een ‘heel schone man’, noemde hij hem. Ik wilde het graag geloven, waarom niet? Wel vond ik die zogenaamde geslaagdere levenswandel helemaal niet zo veel geslaagder dan die van mijn cliënt en daar bevroeg ik hem dan ook uitvoerig over.

De eigenwaarde van de jongeman was in de loop van zijn leven gekelderd tot nul en we waren al een jaar bezig die wat op te krikken, toen ik eens vroeg of hij een foto van zijn broer op zijn smartphone had staan. Ja, oké, die zou hij wel kunnen vinden. Hij diepte zijn mobieltje op en begon te scrollen. Ik was inmiddels heel benieuwd geworden naar het Übermensch dat voortdurend in zijn verhalen opdook als zijn eeuwige kwelgeest enerzijds en stralend voorbeeld anderzijds. Maar het enige wat ik eruit kreeg nadat ik op het schermpje gekeken had, was een stomverbaasd: ‘Je hebt me nooit verteld dat jullie eeneiige tweelingen zijn!’ Het was namelijk echt een kort moment alsof mijn cliënt zelf me aankeek vanaf de foto; precies even fijn of zelfs nog iets fijner gebouwd, dezelfde indrukwekkende bos haar, maar met zwaardere wenkbrauwen. Kan zijn dat hij er daarom wat onvriendelijker uitzag.

Een vriendin die mijn columns altijd doorneemt eer ik ze publiceer, schreef er deze keer bij: Had zelf die ervaring een keer, toen ik een ingesproken bericht beluisterde en van streek was van de neerbuigende toon. Toen ik mezelf bevraagd had, hoezo me dat raakte en daar wat mee had gedaan, beluisterde ik dat bericht opnieuw; totaal neutrale toon.

Eén. Perception becomes reality.

Twee. Kijk uit, ouders, broers, zussen met wat je zegt tegen je familielid. Het vormt hen meer dan je waarschijnlijk wilt of beseft. Woorden hebben kracht.

Drie. Ouders, grijp in als je merkt dat het ene kind gepest wordt door het andere! Dat is verantwoordelijkheid nemen ten opzichte van beide kinderen. Begrenzen en beschermen. Bedek dit soort zaken niet met die beroemde mantel die zoveel wordt misbruikt. Begrenzen is een weinig aantrekkelijke taak, maar wel degelijk onderdeel van liefde.