Blog

De zwarte weduwe

Het was goed dat ik de foto van mijn broer bij zijn kist zag staan, anders had ik getwijfeld of ik wel in de juiste zaal zat.

Een uitvaart is een ritueel waarin je, als je het mij vraagt, probeert zowel recht te doen aan de overledene als aan de gevoelens van de nabestaanden. De uitspraak “Hij of zij wilde het zo” is daarom wel een zaak van gepast respect, maar wat mij betreft niet steeds alles bepalend. En soms is het integendeel gewoon een gemakkelijk wapen, met name in de handen van een narcist.

“Daar gaat ze, in innige verstrengeling met haar volwassen zoon. En ze beseft goed dat wij haar na kijken. Ze heeft zonet de zelfverklaarde liefde van haar leven uitgeleide gedaan, mijn broer.

Daar staan wij, ouders, broers, zusjes en kinderen. We blijven achter op de parkeerplaats van het crematorium. Te verbijsterd voor woorden. Om ons heen heerst eveneens diepe stilte: onze achterban. Die er niet is. Wel door ons op de gastenlijst gezet, maar ijskoud niet door haar uitgenodigd, ontdekten we te laat.

Een anderhalf uur eerder. Daar zaten we. Zo goed als alleen, aan ‘onze’ kant van de zaal, op door haar bepaalde plaatsen. En niet eens op de eerste rij. Achter ons gaapte de leegte, waar mijn vader steeds even vol ongeloof en een sprankje snel weer gedoofde hoop een blik op wierp. Mijn moeder keek star voor zich uit in een poging om zich goed te houden. Achter háár -laat ik haar voor het gemak de weduwe noemen- echter troepte een meute ons volslagen onbekenden samen. In rep en roer van hysterisch tentoongesteld verdriet en vooral  devotie. Een bevreemdend zicht. Het was goed dat ik de foto van mijn broer bij zijn kist zag staan, anders was ik gaan twijfelen of we wel in de juiste zaal zaten.

Al een hele tijd groeit de behoefte in mij aan om haar aan te spreken op haar schijnbaar lieflijk moeder-zoonmomentje op die parkeerplaats. Dan zou ik haar vertellen wat ze behoorde te weten; dat mijn ouders, die op deze dag zo weinig ruimte kregen, ook zo close waren met hun jongste zoon. Zijn veel te korte leven lang. Ik zou haar vertellen dat ik innig voor haar hoop dat haar kind niet over een aantal jaren een fatale tumor in zijn hersens zou ontwikkelen. Een tumor die ervoor zou zorgen dat hij in korte tijd onherkenbaar zou veranderen, het gezin waar hij zo trots op was, zou laten vallen als een stuk vuilnis, en samen met een nieuwe vlam oude getrouwen de duvel aan zou doen.

Ook zijn er veel vragen. Allereerst zou ik van haar willen weten waarom een gebroken koppel van in de zeventig geen roos kreeg om op de kist te leggen, zoals haar volgelingen wél. De kist waarnaar ze vanaf de tweede rij met hun zakdoek tegen hun mond gedrukt mochten zitten staren. Terwijl de weduwe daar op dat spreekgestoelte niet zozeer mijn broer maar vooral zichzelf opblies tot een heilige, zag ik mijn ouders steeds kleiner worden. Ik zou willen vragen waarom wij de duur noch de inhoud van onze eigen teksten mochten bepalen op deze onnoemelijke dag. Waarom wij de steun van familie moesten ontberen. Waarom mijn beresterke broers de kist niet mee mochten tillen het crematorium in. Waarom geen van ons een gram van zijn as mochten hebben. Waarom niemand van onze familie zelfs maar in het rouwbericht vermeld stond; zijn ouders, broers en zussen niet, noch zijn zo geliefde petekind. Maar wel haar gezin en … de hond van haar zoon. Het enige antwoord op een vraag van ons die soms voorzichtig werd gesteld, was een  pertinent: ‘Hij heeft het zo gewild’. En dat was plots heilig, terwijl hij volledig tegen zijn zin in door haar in een hospice was gedropt om te sterven. Wekenlang. En wij in de achteraf valse veronderstelling werden gelaten dat hij ’s nachts nooit alleen was en ook in de weekends niet.

Toch is ze altijd met respect behandeld geweest door ons. Dat wil zeggen, door de rest van mijn familie. Mij persoonlijk kostte het moeite. Mede daarom gold er voor mij een spreekverbod tijdens de uitvaart. Ze is niet dom.

Tijdens de allereerste begroeting gebeurde het al. Gezien de superlatieven die uit de mond van mijn broertje rolden als hij het over haar had, was ik ondanks de situatie positief gestemd. Maar was me dàt schrikken. In een verder weliswaar onopvallend uiterlijk boorden zich twee kleine, valse oogjes in de mijne. Een rat, was mijn eerste gedachte en ik schaamde me ervoor. Al mijn alarmbellen bleven echter afgaan en in de twee jaar erop volgend, deed ze niets om mijn eerste indruk bij te stellen.

Binnen mijn vredelievende familie ben ik vaak de whistleblower. Geen dankbare of zelfs maar zinvolle taak. Er wordt ten eerste zelden naar geluisterd en áls ze worden gehoord, vallen mijn waarschuwingen onder de categorie: ‘Die weer …’ Wat zoiets wil zeggen als: die ziet overal spoken. In dit geval mocht dat nogal letterlijk genomen worden overigens.

Mijn waarnemingen streken de familie zelfs zo tegen de haren in, dat ik uit zelfbehoud besloot zachtjes in hun koor mee te zingen, een liedje dat het verliefde koppel ons had voorgekauwd: de nieuwe partner was toch zowijszoslimzobegaafdzobijzonder. Ja, een sluwe vos was ze. Dat mijn broer al ziek was, werd echter een zwaarwegende reden om dingen niet op de spits te drijven.  

Wel ben ik me op het einde voorzichtig gaan verzetten tegen de demonisering die mijn schoonzus van zeventien goeie jaren ten deel viel. Wreed, gemeen en onterecht. Eén keer heb ik gewaagd te vragen waarom mijn broer en partner er niet bij stil leken te staan dat zij de gezamenlijke kinderen in deze moeilijke tijden wel moet opvangen. Dat ze als moeder van toch wel wat respijt verdiende. Hier werd zwaar aan getild en ik vloog zelfs een jaar in de banvloek. Het laatste jaar van zijn leven. Een afscheid werd op het laatste nippertje toch nog geregeld, goddank.

Mijn schoonzus echter, heeft ondanks alle smeekbedes van haarzelf, familie en vrienden geen afscheid mogen nemen. Noch voor zijn overlijden, noch erna. Ze was ook niet welkom op de crematie. De nieuwe partner had haar veto gesteld. De kinderen van mijn broer stonden zonder hun moeder aan zijn kist. Een moeder die bovendien niet vermeld mocht worden tijdens de viering en iedereen gehoorzaamde nog ook!

Ik zou haar, de weduwe, willen vragen waarom ze opgeblazen rekeningen vereffende over het graf van mijn broer heen. Noemt ze dat liefde? Of is het toe-eigening? De ultieme triomf; hij is van mij? De grote weduwe-aandacht-show? Het niet kunnen delen van rouw? Superioriteit; aan haar liefde voor mijn broer konden wij volgens haar niet tippen? Wilde ze anderen daar raken waar het nooit meer recht gezet kan worden? Een ouderpaar de mond snoeren en in de rug klauwen op deze zwaarste dag. Was dat wat ze echt wilde? Of was het haar op ons uitgeleefde woede en frustratie over een liefde die maar zo kort mocht duren terwijl wij hem zolang bij ons hadden gehad?

Daar staan we en we weten het niet. Maar de moeilijkste vraag, eentje die we zelf zullen moeten beantwoorden, is: waarom lieten we dit allemaal zomaar met ons gebeuren? Wat was dat voor nare betovering? Waarom beefden we voor haar? Waarom lieten we ons zó ringeloren op een van de belangrijkste momenten van ons leven? Wat deed ons altijd op eieren lopen in haar buurt? Ik krijg het niet verwerkt.

Dat ze in de nasleep geld en goederen ontvreemd heeft, is geen verrassing zeker? Ook dat ze begrafenis die ze zo rigide had georkestreerd zonder enige inspraak van ons te dulden, volledig door mijn familie liet betalen, hoef ik niet meer te vermelden? En dat ze nu op de dure fiets van mijn schoonzusje door het dorp rijdt? Doe het maar eens.

Ooit vertelde ze me dat ze een ‘gezonde narcist’ was. ‘Gezond?’ dacht ik toen al, ‘voor wie dan?’ Met moeite hield ik mijn gezicht in de plooi.”  

Met moeite. Logisch. Gezonde narcisten bestaan immers niet.

Foto: Evamaria Jansen

Kerstcadeau

“Ik zie een trouwring aan je vinger. Hoe zit dat? Krijgen we daar gedonder mee?”  

Plusvader aan het woord:  

Toen mijn vrouw en ik elkaar voor het eerst ontmoetten, wisten we het eigenlijk meteen. We wilden samen verder. Daar zij in de naweeën van een echtscheiding zat en haar kinderen van zestien en achttien jaar oud daardoor ook heel wat hadden meegemaakt, was ze er voorzichtig mee om hen met mij te confronteren. De kinderen wisten van me af, maar ze wachtte op het moment dat ze uit zichzelf naar me zouden vragen. Zo hielden we onze relatie een half jaar buiten hun zicht. 

Op een avond was mijn vriendin uit gaan eten met haar kinderen en het vriendje van de dochter. En terwijl de jongemannen binnen bleven omdat het buiten venijnig koud was, gingen moeder en dochter vóór het dessert op het terras aan de straat samen een sigaretje roken. Daar liep ik hen in het donker tegen het lijf. Onopzettelijk. Mijn vriendin stak kort haar hand naar me op en ik naar haar, waarna ik haastig doorliep. Goeie toneelspelers zijn we blijkbaar niet, want de dochter had het  onmiddellijk in de gaten: “Is dàt hem?” Ja dus. Ze riep me terug om kennis te maken. Een ontzettend leuk, hartelijk meisje. Na een korte babbel ben ik doorgelopen naar een cafeetje met een open haard iets verderop. Later hoorde ik van mijn vriendin dat haar dochter meteen na mijn vertrek verrast had gezegd: “Wàt een fijne man!” Ze was een beetje overrompeld en heel enthousiast naar binnen gegaan om haar vriendje en broer op de hoogte te brengen en vertelde er aanmoedigend bij dat ik in een cafeetje verderop zat. “Fijn voor hem.” was de reactie van de zoon. Zijn moeder liet het erbij en ze aten gezellig door. Ze kende haar volkje en had binnenpretjes. En inderdaad, toen ze naar huis vertrokken, vroeg de jongen tussen neus en lippen door waar dat cafeetje wel niet was. Hij wilde wel even ‘binnenspringen als dat dan zo nodig moest’. “Niks moet”, zei zijn moeder, maar het zusje was al met haar vriend naar mij onderweg. Ach, dan ging hij ook maar eens mee een kijkje nemen… 

Zo kwam het dat ik bij mijn biertje aan de open haard totaal verrast werd door een groepje jongeren, waarvan ik alleen de dochter herkende, en mijn vriendin die er blozend achteraan kwam. Haar zoon vatte de koe meteen bij de horens. Ik weet het na tien jaar nog letterlijk: “Zo,” zei hij “ben jij de nieuwe vriend van mijn moeder?” “Yep”, zei ik blij. Dat beviel hem. Hij bleef recht op de man afgaan: “Ik zie een trouwring aan je vinger, hoe zit dat, krijgen we daar gedonder mee?” “Nee hoor, dat is de ring van mijn overleden vrouw en die zal ik ook niet af doen!” “Fair enough” vond hij. “En ga je nu over me vaderen of wat?” was de onmiddellijk erna op me afgevuurde vraag. “Dat was helemaal niet de bedoeling!” reageerde ik, “Ik moet er niet aan dénken.” Van binnen moest ik lachen om zowel het directe als de kernachtigheid van zijn terechte vragen.  

Ik was kennelijk met glans geslaagd voor de eerste ronde; hij schudde mij krachtig de hand en zei: “Ok, doe mij dan ook maar een biertje.” Daarna zat ik met het hele gezelschap, mijn nieuwe toekomstige plusfamilie, nog tot middernacht rond die haard. Terwijl het buiten vroor dat het kraakte, smeedden wij daar binnen aan het begin van onze lange, warme band. Het loopt nu alweer tien jaar rimpelloos tussen ons, ze zijn zelfs heel defensief ten aanzien van mensen die mij in hun ogen niet goed of met onvoldoende respect behandelen. En ze zetten bij voorbeeld rustig hun moeder op haar plaats als die eens te fel uit de hoek komt tegenover mij. Met hun eigen vader hebben ze overigens ook een prima contact. Kan eigenlijk niet beter.  

Ze hebben me altijd bij mijn voornaam genoemd, maar laatst stelde de inmiddels jong volwassen dochter me aan een paar vrienden van haar voor. En het was de eerste keer dat ik haar hoorde zeggen: “Mijn plusvader” in plaats van “de man van mijn moeder” of gewoon mijn naam. “Mijn plusvader” … Wat een kerstcadeau. 

Foto: Evamaria Jansen, Boxtel.

Het hartje van de hulpverlener

De kennismaking met hun overleden kind blijft echter tweedimensionaal. Driedimensionaal is in mijn beroep vaak verleden tijd; een dimensie waar ik nooit deel van uit maakte.  Althans, zo bleef het tot op een bijzondere avond, die heel gewoontjes begon.

Soms, maar toch nog veel te vaak, sterft er een kind. En de ouders gaan dan op alle mogelijke manieren op zoek naar troost en handvaten om uiteindelijk een enigszins draaglijk nieuw leven op te kunnen bouwen. Tijdens die zoektocht komen ze ook weleens bij mij terecht; jarenlang, af en toe, of bij periodes. Er zijn trajecten bij van wel tien jaar of meer. Niet zelden volgen in de loop van de tijd grootouders, broers en zussen, beste vrienden… 

Al die tijd zie ik de foto’s en filmpjes van het verloren kind, luister ik naar de verhalen en overzie ik steeds meer de ravage die zo’n verlies in gezinnen en andere omringende systemen aanricht en dit nog heel lang kan blijven doen. Er ontvouwt zich dan stilletjes aan iets in mijn hart. Zo sterk zelfs, dat ik soms denk: ‘Jullie moesten eens weten’; regelmatig heb ik het gevoel dat ik het bewuste kind op de duur zelf leer kennen en liefhebben. Op Facebook verschijnt ter gelegenheid van een verjaardag, een sterfdag of weer zo’n pijnlijke Kerst zonder die ene, weleens een tekst van de ouders met een foto van hun kind erbij. Dat komt bij me binnen. Dan zet ik er het hartje bij, dat ik serieuzer meen dan men misschien beseft; het is een persoonlijk ervaren, niet enkel het therapeutische hartje van de hulpverlener.  

Wat me ook zo raakt wanneer ik oude foto’s te zien krijg, is het feit dat mensen die ik enkel diep bedroefd heb leren kennen, plots jonger en gelukkig zie zijn. Soms bijna onherkenbaar. Nog onwetend van wat hen boven het hoofd hangt.  

De kennismaking met hun overleden kind blijft echter tweedimensionaal. Driedimensionaal is in mijn beroep vaak verleden tijd; een dimensie waar ik nooit deel van uit maakte.  Althans, zo bleef het tot op een bijzondere avond, die heel gewoontjes begon. Een papa en een mama kwamen met een witte plastic zak mijn praktijkruimte binnen; een beetje verontschuldigend dat ze wel iets aparts bij zich hadden. Ik ‘kende’ hun gestorven zoontje al langer en voelde werkelijk voor dat kleine mannetje. Totaal nieuw en onvoorstelbaar voor mij was echter wat ze voorzichtig uit die banale plastic zak tevoorschijn haalden: de beschermende ‘helm’ die hun zoontje had gedragen tijdens de vele bestralingen. Het was in feite zijn koppetje in 3D. Het was zomaar ineens tastbaar. O wonder.  

Ik trok de stoute schoenen aan en vroeg de ouders of ik hem even vast mocht houden. Ze leken het een welkome vraag te vinden. Daar zat ik. Zwaar ontroerd. Zomaar ineens met dat ‘hoofdje’ op mijn schoot. Iets kostbaars was me toevertrouwd. Met mijn twee handen kon ik het helemaal omvatten en er fysiek mee kennismaken. Net alsof ik dat kindje nu eindelijk zelf eens mocht koesteren na al het verdriet dat ik al om hem had gezien en deels meegevoeld. Ik kon hier echt iets in kwijt. Ook ten opzichte van zijn ouders. Het hele uur lang mocht ik hem in mijn handen voelen en omhullen, terwijl we ondertussen met elkaar praatten. Ze drukten zich inniger uit dan ze ooit tevoren bij mij hadden gedaan. Wat een avond. Wat een liefde om hem heen, een liefde waar ik bij uitzondering eens actief deel van mocht uitmaken. Een magisch moment in mijn ‘loopbaan’. Om nooit meer te vergeten.  

Toen ik jaren later een herinneringsfoto van het kindje op Facebook tegenkwam, schreef ik erbij: “Oh, dat koppetje … dat ken ik!”. De ouders stuurden me terug: “JA!” met een hartje. 

– In memoriam Lukas –

Foto: Evamaria Jansen. Een regenboog omdat dit veel betekent voor de familie van Lukas. Met dank aan zijn ouders, die mij toestemming gaven voor het publiceren van deze column en op mijn vraag het thema van de foto kozen.  

De gesloten loketten

“Waarom komen ze er nu pas mee?” is de tenenkrommende vraag die blijkbaar bij een deel van de bevolking oprijst als mensen verslag doen van een oud trauma.

“Waarom komen ze er nu pas mee?” is de tenenkrommende vraag die blijkbaar bij een deel van de bevolking oprijst als mensen verslag doen van een oud trauma. Meer specifiek lokt vooral het aankaarten van een seksueel grensoverschrijdende gebeurtenis hoog opgetrokken wenkbrauwen uit. De vraag waarom ze er nu pas mee komen, is volkomen irrelevant. Het enige dat telt is dát ze ermee komen. Eindelijk!

De moed en het zelfvertrouwen die hiervoor nodig zijn, zijn voor velen niet weggelegd. Totdat ze ergens een domino-effect zien ontstaan en op die kar mee durven te springen. Welkom, zou ik zeggen. Laat je gerust aanmoedigen door lotgenoten die de spits afbijten. Niks mis mee.

De zeer foute vraag “Waarom komt iemand er nu pas mee?” wordt  gesteld vanuit de omkadering en opinievorming die organisch deel uitmaken vanuit het hele concept van angst en onzekerheid aan de ene kant, en respectloosheid en intimidatie aan de andere; gedragspatronen waarvan lang verondersteld werd dat ze wel door de beugel konden.

Foute vragen worden soms gevolgd door goede raad: “Doe in godsnaam je mond open.” Of, om het met John de Mol te zeggen: “Ga naar de loketten!” Nog afgezien van het feit dat eigenlijk de dader dat zou moeten doen, is één van de bezwaren hierbij: àls ze er al zijn en je  vindt ook nog het juiste, wie zit daar dan achter? Je weet het maar nooit. Ik ging als zesjarige met een glasheldere klacht naar zo’n loket toe; een familielid. Degene die mij belaagde was op dat moment nog steeds in mijn nabije omgeving en zou dat nog even blijven. Het loketje kan op zich het daartoe geëigende zijn geweest. Zo zag het er in elk geval wel uit. Maar de consternatie die ontstond na wat ik meldde, was zo heftig dat het loket voor onbepaalde duur gesloten werd. Nooit meer heb ik er met soortgelijke klachten terecht gekund. Ik werd niet geloofd, dat was gemakkelijker. De loketbediende kon het niet aan. En een kind van zes accepteert dat zonder meer. Een kind van zes, of jonger, of ouder, maakt de vertaalslag dat het misschien ongeloofwaardig is, de dingen niet juist ziet, of zelf iets grondig verkeerd heeft gedaan. Dat resulteert niet zelden in decennialange stiltes. In erge gevallen soms ook in verdringing. Dan kún je niet eens getuigen. Daarmee is de niet relevante vraag beantwoord.

De stupiditeit van de opmerking “Je had toch ‘nee’ kunnen zeggen?” is zo enorm, dat ik er hier even de woorden niet voor vind. Bovendien is ook dit een niet ter zake doende vraag.  Als vrouwen nee zeggen, maakt dat toch niks uit; een oude volksdomheid zegt dat ze in feite ‘ja’ bedoelen. Trouwens, als ze ‘ja’ zeggen, ook al. Vreemd volkje. Geen wonder dat sommige mannen het maar niet vatten.

“Vroeger kon alles, nu niks meer!” is een klok die je ook hoort luiden. Daar zit wat in. We slaan volgens mij te ver door. Elke vader of moeder bijvoorbeeld, die totaal onschuldig zijn of haar peuter dan wel kleuter mee in bad neemt en zich daar onder invloed van de #MeToo beweging nu zorgen over maakt, is er een te veel. “Vroeger kon alles.” Maar vroeger is ook vijftig jaar geleden. En toen al voelde ik op mijn klompen aan, dat er op die grensoverschrijdende momenten iets vreemds en zeer verontrustends gaande was. Alles kon kennelijk toch níet.

Niet dat ik met uw eventuele nieuwsgierigheid wil spelen, maar als ik hier open en bloot zou neer schrijven wie me op 24 september 1966, ik was toen acht, out off the blue fors tussen mijn benen greep, zouden de meesten het niet geloven en zou ik mezelf  belachelijk maken. Dat besefte ik toen al, dus ging ik dit keer niet naar een loket. Terwijl diegenen die mij wel serieus namen, een horde advocaten op mijn dak zouden hebben gestuurd. Ik zou hoe dan ook de smadelijke verliezer zijn geweest. Behalve dat veel later algemeen bekend raakte dat de bewuste man wel degelijk een schuinsmarcheerder was, heb ik geen enkel bewijs (nog afgezien van het feit dat ik de behoefte niet voel om me nu nog te weer te stellen). En aan de andere kant, de kant van wat ze nu al snel een ‘roofdier’ noemen, heerste toen nog onaantastbare macht met de bijbehorende rechten. Daar ging ik niet mee op de vuist. Mij niet gezien! Nee, midden in de #MeToo beweging is dit voor mij nog steeds geen optie, zelfs al zou ik daar anderen mee helpen. Dat specifieke gevoel van machteloosheid en verlamming dat maakt dat ik niet openlijk op de barricades durf, is mij op zich helemaal niet eigen. Maar het is in dit geval sterker dan mezelf. En dát doet me pas beseffen hoe krachtig en hoe moedig diegenen zijn die het wél aankaarten.

Wild geraas

Andermans pech als cadeautje. Nu wil ik ter gelegenheid van de donkere dagen best wel eens voor zo’n kerstcadeautje zorgen. En voor diegenen die niet beginnen te schateren als een ander struikelt, maar wél opgelucht zijn dat de dingen ook bij anderen wel eens anders zijn dan ze lijken en dat ook bij hen de zaken niet altijd lopen zoals gepland, kan het een opstekertje zijn.

Dat iemand zich verheugt in andermans pech kan ik me enkel voorstellen als die ander, volgens die persoon, tegenslag heeft ‘verdiend’. Maar het schijnt verder te gaan. Daar zijn tijdens de oorlog zeer akelige proeven mee gedaan in kampen. Proeven die inderdaad aantonen hoeveel plezier de mens, als het water maar hoog genoeg aan diens lippen staat, kan hebben in het leed van volslagen vreemden. Een iets onschuldiger voorbeeld bestaat uit de kijkcijfers van het tv-programma ‘Ik vertrek‘. Die zijn hoog. Ik heb me laten vertellen dat dit direct samenhangt met de ellende waar onze noorderburen bijna per definitie aan worden blootgesteld nadat ze in dat koude kikkerlandje hun biezen hebben gepakt en vol onbegrijpelijk naïeve voorvreugde neerploffen in een godvergeten, oververhit oord, waarvan de taal hen even onbekend is als de mentaliteit. Het nieuwe onderkomen, in veel gevallen hun toekomstige luxe B&B, is een schuur die van ellende nog niet weet welke kant hij op moet vallen en waar de bouwvergunning nog voor aangevraagd moet worden in het Swahili én het Oekraïens.

Andermans pech als cadeautje. Nu wil ik ter gelegenheid van de donkere dagen best wel eens voor zo’n kerstcadeautje zorgen. En voor diegenen die niet beginnen te schateren als een ander struikelt, maar wél opgelucht zijn dat de dingen ook bij anderen wel eens anders zijn dan ze lijken en dat ook bij hen de zaken niet altijd lopen zoals gepland, kan het een opstekertje zijn.

Het tafereeltje oogt als volgt: een moeder met dochter en schoonzoon (of andersom?) zitten vrolijk op een terrasje. Zij heeft een hondje op haar schoot. De dochter (of is het de schoondochter?) krijgt tot haar verrassing een geschenkje en omhelst de vrouw. De familie idylle…

Bij de verstilde volle maan-foto die ik onlangs plaatste op mijn facebookpagina, schreef ik: makkers, staakt toch eens uw wild geraas. Dat had ik niet moeten doen. Het noodlot werd getart en dat laat het zich zomaar niet welgevallen.

De oudste heeft een kindje dat nog in de leeftijd zit van devoot haar schoentje zetten en zeker weten dat het ‘s nachts het paard van Sinterklaas op het dak heeft horen trappelen. Voor haar probeerde ik wat familie te verzamelen op een overdekt terras. Van tevoren was ik gaan kijken wat de meest geschikte plek was. Een tafeltje aan een flakkerend vuur; uit de tocht maar toch voldoende verlucht. Het is Gent. Het juiste plekje was dus gauw gevonden en gereserveerd. Jammer dat ik mijn handtas er toen heb laten staan en dat die niet meer teruggevonden is. Deze tegenvaller kwam bovenop een WhatsApp fraude, die mij niet in een stemming had gebracht waarin ik veel geld in nieuwe tassen wilde investeren.

Kind nummer 2 zat op de bewuste dag nog in (Covid)quarantaine, maar kon volgens de berekeningen de dag erop wel van de partij zijn. Kind nummer 3 kon ‘nog niets beloven’. Kind nummer 1 en de eetgelegenheid gingen ermee akkoord om de ontmoeting een dag te verschuiven. Nu kwam het neer op een week puur verheugen en hopen dat nummertje 3 ook nog kon komen.

Twee uur voor het bewuste moment kreeg ik goed nieuws: kind nummer 3 kon! Maar … mocht het niet een uurtje eerder? Dit berichtje werd onmiddellijk gevolgd door een appje van kind 1, dat vroeg of het niet een uurtje later kon. De jaren gaan niet aan me voorbij zonder dat ik er toch af en toe iets uit oppik, dus ik schreef: ‘Vanaf 15u00 uur zit ik daar zoals afgesproken op dat terras en jullie zien maar wanneer je kunt.’ Een uur te vroeg ging ik fit en vrolijk op pad met mijn hondje, zodat het moe gewandeld zou zijn en zich zou gedragen op het terras. (Dat bleek ijdele hoop.) Onderweg hoorde ik achter me, in mijn rugzak, allerlei verdere berichtjes binnen komen: kind nummer 1 (die met het kleinkindje waar alles om begonnen was) verschoof de afspraak en zei iets later wegens omstandigheden maar even helemaal af. Kind nummer 3 vroeg me om iets mee te brengen van huis, wat niet meer lukte omdat ik al onderweg was. Kind nummer 2 liet weten dat de quarantaine toch nog niet ten einde was. Foutje in de berekening, kan gebeuren mama. Mijn hondje kon het niet verwerken dat ik om de paar stappen stilstond met mijn gsm. Het raakte daarom pas waarlijk geïnspireerd op het eind van de wandeling in het volle zicht van mijn volgeladen terrasje. Daar was het pijnlijk schutteren met een onmogelijk open te krijgen plastic zakje, terwijl de gasten er ook niet blij van werden. Enigszins gelouterd streek ik uiteindelijk neer op de gereserveerde stoel. Het beloofde vuurtje was niet aan, maar daar zou op mijn vraag wat aan gedaan worden “als het koud werd”. Pardon, kón het nog kouder? Na een kwartiertje eenzaam rillen, meldde kind nummer drie zich telefonisch om te vragen waar ik bleef… Het zat wél al gezellig op een terras, maar aan het verkeerde plein. En dat zou mijn schuld zijn. Er volgde overleg: zou het nog wel de moeite zijn om te komen, want er bleek een dubbele afspraak te zijn geboekt. Met een collega. “Kun je die collega niet meenemen?” voeg ik, terwijl ik overlegde of ik zou gaan huilen of me vele jaren te laat nog eens in een pedagogieboek zou verdiepen (titel: Goed voorbeeld doet niet volgen). De bereidwillige collega kwam mee en het werd nog best gezellig. We bleven zitten tot zes uur. Al die tijd heeft het personeel het, ondanks drie maal opnieuw vragen, verrekt om de vlammetjes bij onze tafel aan te steken. De misplaatste trouw aan mijn afspraak hield me vast op de verkeerde plek. Voer voor therapie.

Eenmaal thuis gekomen, begon het ‘heerlijk avondje’. Althans hoopte ik dat Sinterklaas verder vooral stilletjes mijn huisje voorbij zou rijden. Ik deed mijn bibberende hondje onder de warme douche, hees mezelf in een comfortabel huispak, zette mijn verstand op nul en deed net mijn schort voor om wat te koken, toen de bel ging: kind nummer 1 met partner en mijn kleindochter stonden alsnog voor de deur! De deur van mijn niet opgeruimde en nog niet voldoende opgewarmde appartement. Het Sintcadeautje dat ik oorspronkelijk voor de kleindochter had gepland, had ik ook wel passend gevonden bij kind nummer 3 en had ik ’s middags op het gure terrasje dus al meegegeven. Daar stond ik. Bekaf, koud tot op het been en met lege handen. Op hetzelfde moment belde mijn vader me op met de laatste berichten over mijn broer, die voor een verschrikkelijk afscheid staat.

Paardje was weliswaar nog lang niet moe, maar ik heb mijn visite naar huis gestuurd. Visite die zelf weet wat pech is en daardoor veel kan begrijpen.

En nu bukken voor de Kerst.

Voorvertoning in nieuwe tab

Foto: Evamaria

In Memoriam,
Jeroen Jansen
19 september 1961 – 23 december 2021


Eyeopener

 

Een paar zomers geleden stonden de Nederlandse kranten vol van een afschuwelijke moord op een kind. Een moord is altijd afschuwelijk, maar hier zaten wat randjes aan die boven het bevattelijke gingen. Ook ik was kotsmisselijk van medelijden. Geen moment kwam het in me op dat ik een paar jaar later de moeder in mijn praktijk zou ontvangen.

Van heel jongs af aan was het me al tot in mijn vezels eigen; erkenning is het enige antwoord op lijden. Het enige antwoord dat bij kan dragen aan verzachting van het leed. Tot voor heel kort ben ik daarvan overtuigd gebleven en heb het veel in praktijk gebracht. Niet voor niets koos ik dit beroep en niet voor niets haal ik daar nu, dertig jaar later, telkens weer de kracht uit om niet af te stompen, verbitterd of verveeld te raken, of overbelast.  

Een paar zomers geleden stonden de Nederlandse kranten vol van een afschuwelijke moord op een kind. Een moord is altijd afschuwelijk, maar hier zaten wat randjes aan die boven het bevattelijke gingen. Ook ik was kotsmisselijk van medelijden. Geen moment kwam het in me op dat ik een paar jaar later de moeder in mijn praktijk zou ontvangen. Een lange reis moet ze ervoor maken, maar dat heeft ze over voor de mogelijkheid om hulp te zoeken buiten de grote kring meelevenden -zo’n beetje het hele land- die ze om zich heen heeft.  

Ik kan persoonlijk nauwelijks begrijpen hoe ze overeind blijft en zelf snapt ze het ook niet goed. Het is dan ook allesbehalve evident dat ze zal besluiten om hier te blijven. Het feit dat ze nog andere kinderen heeft, is meer een gevangenis dan een troost. Natuurlijk houdt ze van die kinderen, maar haar pijn is allesoverheersend en ook de liefde verdrinkt daarin.  

Tijdens een van onze gesprekken peilde ik naar de betekenis die het voor haar heeft dat de meelevende kring om haar heen zo groot is en deels zo anoniem.  

Daar het niet haar eerste sessie bij mij was, kwam haar antwoord niet volledig als een verrassing: verschrikkelijk vindt ze het, al die aandacht. Ze krijgt geen rust. Ze wil rouwen. Maar ze moet honderden kaartjes door haar handen laten gaan en er nog blij mee zijn ook. Kaartjes waarop totaal vreemden zich voor haar gevoel het verdriet om haar kind toe-eigenen en haar dingen toewensen en toedichten waar zij niets mee kan en die helemaal niet bij haar passen. Waarom toch? Het is háár kind, háár verdriet, verdriet dat beleefd wil worden in de intimiteit van háár gezin. Mensen halen uit kranten en de sociale media de details die ze zichzelf nog niet eens toestaat om te kennen en misschien wel nooit wíl kennen. Vreemden weten, of menen dat, meer over de laatste momenten van haar kind dan zij, de eigen moeder. Ze heeft het gevoel dat haar kind haar postuum nóg eens wordt afgenomen.  

Al had ik het nog nooit zo bekeken, ik begreep haar maar al te goed. Een geval van medeleven dat totaal overbodig is, sterker nog, een inbreuk.  

Dat deed me denken aan de kinderen van Diana die als volwassenen, jaren na haar dood, ervan getuigden dat ze de massale belangstelling en uitbarsting van liefde na hun moeders dood niet begrepen hadden en op dat moment ook niet konden appreciëren. “Jullie kenden haar toch niet? Het was toch ónze ‘Mummy?” Wie kent dat kostbare woordje niet? Waarom mochten ze niet in hun vertrouwde, rustige omgeving met de hun vertrouwde mensen op hun eigen tempo tot zichzelf komen? Waarom moesten ze het verdriet van al die vreemden over zich heen krijgen op een moment dat ze er zich zelf nog totaal geen raad mee wisten?  

De massale rouwbetuigingen, de bloemenzee, alle snikken en tranen, het applaus dat hen die hele lange wandeling achter de affuit met de kist begeleidde; het was op dat moment allemaal ballast. Geen steun.  

Wat een eyeopener. 

illustratie: Evamaria

“Altijd vakantie!”

Als puber sliep ik slecht en sloeg wel eens een dagje school over. Dan kroop ik lekker in mijn bed; iets minder ziek dan mijn moeder dacht. En daar lag ik, heerlijk uitrustend onder de veilige dekens en op de zachte matras die toen nog niet verboden was voor de rug. En daar, in mijn schuiloord, bereikte me via mijn gehoor een hele wereld waar ik voordien nooit oor voor had gehad. In plaats van dat mijn moeder gezellig boven aan mijn bed een theetje zat te drinken en met me te kletsen tussen de vele speculaasjes door, gebeurde er onder mij iets wat ik niet meteen kon plaatsen; een wirwar aan geluiden drong opwaarts tot mijn kamertje door. Krakende traptreden, deuren die constant open en dicht gingen, voetstappen overal in het huis, water dat ik door de buizen hoorde lopen, de wasmachine die centrifugeerde, de auto die startte en even later weer terug kwam, haar fietsbel (waar was ze nu weer heen?) de stofzuiger die zoemde. Tussendoor haar stem, waarschijnlijk aan de telefoon (met wie belde ze in godsnaam, ik was toch thuis?), kortom wat dééd die vrouw daar beneden allemaal? We hadden toch eens per week een werkster? En hutspot op tafel zetten kon toch ook zo’n tijdrovend drama niet zijn? Onze voeten veegden we toch als we binnenkwamen? We waren zelfs meestal zo goed om de dop weer op de tandpastatube te doen als we uitgepoetst waren. Klaar was je toch? Kortom, ze moest echt zeeën van tijd over hebben om bij me te zitten. Wat ze daar allemaal in dat huis uitspookte, was me een raadsel. Maar dat is inmiddels opgelost.

Heel veel later. Mijn reeds gepensioneerde man en ik waren een weekje op vakantie in eigen land. Toen midden in die week een aangetrouwd familielid zijn bezoek aankondigde, waren we allesbehalve enthousiast. We kenden ons opportunistje en wisten dat zijn plotse interesse in ons onmogelijk onschuldig kon zijn. We sputterden tegen, maar hij drukte door. Op onze vraag waar het dan wel om ging, was het vlakaf: “Niets, een gesprekje, gewoon, uit respect voor jullie.” Toen begonnen we pas echt te beven. Hier was iets helemaal niet pluis. We hebben nog geprobeerd om ons af te schermen met het feit dat we wel vakàntie hadden, maar het was niet aan hem besteed; voorbijgaand aan het feit dat ik nog wel degelijk werk, gaf hij voorgoed vleugels aan de woorden: “Jullie zijn met pensioen, dus … jullie hebben altíjd vakantie.” Hij kwam, sprak en dompelde ons voor de rest van ons verblijf en de jaren erna onder in een financieel lastig watertje. Maar zijn uitspraak hebben we nog vaak dankbaar herhaald als we ons weer eens uit de naad werkten om alles wat we wilden ook af te krijgen. “Áltijd vakantie!” riepen we elkaar dan honend toe en dat klaarde meteen de lucht merkwaardig op.

Zelf nog steeds niet met pensioen zijnde, merk ik wel aan mijn partner wat dat is; pensioen is géén vakantie. Ja, je gaat niet meer voor je baan op pad of kruipt ervoor in je thuiskantoor, maar voor de rest blijven veel lasten dezelfde. Terwijl de krachten afnemen. Je huis dien je op orde te houden, eenzelfde aantal pannen moet er per maaltijd afgewassen worden als voorheen, je aanrecht wordt er niet kleiner op en niet minder vuil na het koken, de planten hebben even veel water nodig als vroeger, stof daalt net zo rijkelijk neer uit de atmosfeer als voorheen, je verschoont nog steeds wekelijks je bed, je betaalt aan dezelfde wirwar van instanties je rekeningen (op voor semi digibeten steeds geheimzinniger manieren), je veegt evenveel sneeuw bij je voordeur weg in de winter en in de herfst bladeren, je onderhoudt eenzelfde aantal vriendschappen en doordat de ‘handenbindertjes’ de deur uit zijn zelfs meer. Kinderen en kleinkinderen en bovendien op deze vroege pensioenleeftijd vaak ook nog zéér oude ouders blijven een beroep op je doen. Het gras in je tuin groeit zoals steeds veel te snel, afstanden naar winkels, de fietsenmaker en het postkantoor blijven dezelfde. Je moet op computerles om met je kleinkinderen te kunnen converseren. Het rondje specialist- apotheek-en weer dokter kan je dagen gaan beheersen. Er zijn ook zaken die minder worden, met name de hoeveelheid was. En de uren op een dag dat je je echt fit voelt. En je slaap. En je tempo dus. En, en, en … er is zoveel.

Toen ik er wél oog voor kreeg, kon ik het mijn moeder niet meer vertellen; hoe jammer ik het vond dat ik destijds uit onnadenkendheid zo losjes heengegaan was over de inspanningen die ouders en grootouders moeten leveren. Inspanningen om uiteindelijk alles nog een beetje met geheven hoofd bij te kunnen benen. De verwachtingen ten opzichte van hen zijn vaak hoog en blijven dat, nog lang nadat het allemaal niet meer zo vanzelf spreekt. Troost is de gedachte dat het overal zo gaat en dat extra bezorgde, verantwoordelijke en meelevende kinderen dat vaak zijn door gezinsomstandigheden die niet optimaal zijn. Vanuit angst voor verlies van veiligheid. Met andere woorden, het is normaal om als kind niet na te denken over hoe het brood op de plank komt en wie het dan wel gebakken heeft. En als daar in een kinderhoofdje wél grote zorgen rond leven, wordt het kind mogelijk onvoldoende afgeschermd tegen rauwe werkelijkheden.

Met opnieuw en ditmaal extra dank aan Kitty van der Weij, één van mijn trouwe ‘redactrices

Foto: Evamaria Jansen

Voorbeeldfunctie

Door het huidige onderwijs kunnen peuters tegenwoordig kort na het betreden van hun gezamenlijke zandbak al tot tien tellen en meer. Die gedachte schiet me steeds door het hoofd als ik bepaalde politici ‘bezig’ zie met hun land wanbeheren. Je vraagt je af wat er bij die figuren in de peuterspeelzaal zo fataal de mist is in gegaan. Dit is niet bij wijze van spreken, maar letterlijk bedoeld. Ook de ‘Hollandse overdrijving’ gaat hier niet op. Nee, ik heb het -naast egoïsme, machts en -geldhonger- over naakte, beschamende en verbijsterende stupiditeit aan de top. 


In Nederland zit daar in die regionen een zekere Fred Grapperhaus, minister van justitie. Hij is de motor achter de gezichtsmaskerhetze en of je nu in de werking van die dingen gelooft of niet doet er hier even niet toe.
Deze meneer heeft besloten om te trouwen. Niks mis mee, maar waarom in volle Corona tijd een groot feest erbij? Waarom kon er niet gewacht worden op rustiger tijden? Het plebs zal het antwoord wel nooit te weten komen en misschien zijn er werkelijk wel valabele redenen voor deze viering op dit moment. Dus laat ik hem het voordeel van de twijfel geven. Ze hebben als locatie voor de receptie op het laatste moment geopteerd voor een feestzaal. Hun geplande thuisfeest zou namelijk wel wat vreemd over hebben kunnen komen op een volk dat gesommeerd wordt in beperkte bubbels te leven, zeker binnenshuis. Daar de verloofden de locatie geheim hadden gehouden, gingen ze ervan uit – en nu beginnen mijn hersenen al lichtelijk te kraken – dat de keuze ook geheim zou blíjven. Niet dus. Natuurlijk niet. Daar hebben we het journaille voor. Vervolgens houden de minister en diens vriendenkring, waar ook het een en ander aan top in vertegenwoordigd was, zich niet aan de te vuur en te zwaard door de minister zelf doorgedrukte Covidregels. En ze laten zich daarbij nog betrappen ook. Een peuter die verstoppertje speelt, pakt het slimmer aan.


Ik stel mezelf toch enkele vragen. Zou ik als minister van uitgerekend justitie een groot huwelijksfeest geven in volle mondiale crisistijd? Waarschijnlijk niet. Want ik weet hoeveel voeten de organisatie van een béétje bruiloft in de aarde heeft. En dat zou ik niet graag combineren met mijn werk wat misschien nog wel nooit eerder zo belangrijk is geweest als nu. Zou ik me laten betrappen? Vergeet het maar, ik zou me óf aan de regels houden óf in een beveiligde bunker trouwen. Nooit zou het in me opkomen om een soort lapdance buiten op het bordes te gaan uitvoeren met zijn zestigen. Wat ik me wel zou kunnen indenken, heel goed zelfs, is dat ik in mijn voorbeeldfunctie zou kiezen voor een spectaculair feest, waar de hele bevolking zijn hart aan mag ophalen in moeilijke tijden. Daarvoor zou ik met mijn riante salaris (let op, ik ben dus nog steeds minister) een kudde weddingplanners inhuren, een paar virologen, een psycholoog of twee-drie, een intelligente politieagent, een modiste (voor de gratis mondmaskers in feeststijl) en een peutertje om iedereen met de voeten op de grond te houden. Samen mochten die dan, terwijl ik me wijd aan mijn land in nood, een gebeuren organiseren waaraan zowel de gasten en het hele volk zich zouden kunnen laven en toch zo veilig mogelijk blijven. Een erehaag van plastic handschoenen zou ik neer laten zetten. Honderden witte ballonnen loslaten met ‘Feest niet als een beest’ erop. Duiven met kleine witte lakentjes in hun bekjes zou ik laten uitvliegen om het zorgend personeel en zoveel anderen te bedanken. Een fontein van handgel op het bordes met een loper van gezonde voornemens. Stichtende teksten op de mondmaskers, waar de fotografen dan weer op mogen inzoomen als ze het juiste volkslied van ons landje hebben kunnen produceren, wat, dat weet elke Belg, nogal een benenbreker is voor sommige politici. Een voorbeeld van een party zou ik ervan maken, en vervolgens het draaiboek vrij geven voor publicatie, ter ondersteuning van mijn in een wirwar van elkaar tegensprekende Coronamaatregelen ronddolend volk.

Wellicht zou mijn bruiloft op die manier nog een aftrekpostje zijn ook.

 

Welkom

Met een heel goed gevoel schrijf ik na de eerste lockdown mijn mail met Coronamaatregelen die ik binnen mijn praktijk wil en deels moet toepassen; aangenaam zorgzaam voel ik me ten opzichte van de veiligheid van mijn cliënten, van mijn cliënten onderling, de onderbuurvrouw met wie ik het trappenhuis deel, en mezelf. Echt blij ook, omdat ik weer live kan gaan na alle video calls en telefoongesprekken, die in sommige gevallen toch iets halfslachtigs hebben. ‘Send’ en klaar. Na een paar minuten al -ping!- de eerste reactie. De live agenda vult zich weer. Het krukje, waarop in de praktijkruimte mijn phone voor de videocalls geïnstalleerd was, komt met een bloemetje en een flacon handgel bij de voordeur te staan. Mentaal begin ik me ook voor te bereiden op het openstellen van mijn tien weken lang zorgvuldig afgeschermde bubbel.

Tussen het maken van afspraken door kreeg ik een cliënte aan de telefoon die erg graag terug wilde komen, maar die de maatregelenbrief niet goed verteren kon. Het natuurlijke, vanzelfsprekende contact wat ze samen met mij met moeite en pijn had weten op te bouwen, werd voor haar gevoel doorkruist. Zelden heeft ze zich ergens werkelijk welkom gevoeld, te beginnen bij ouders die zich midden in hun rouw om hun overleden kindje geconfronteerd zagen met een nieuwe zwangerschap. Een zwangerschap die ze nog niet aan konden. Ze lieten het nieuwe kind, mijn cliënte, levenslang op de breekbare eierschalen van hun pijn ronddolen. Sorry, sorry, sorry! Sorry dat ik besta. Ze sprak het nooit uit, maar het werd wel haar grondhouding.

Sorry dat ik niet mijn zusje ben.
Sorry dat het me maar niet lukt om volmaakt te zijn zoals mijn zusje zeker zou zijn geworden … áls ze de kans had gekregen.
Maar ik doe mijn best. Mijn uiterste best en ik klaag niet.

Ze sprak het nooit uit, maar het werd wel deel twee van haar grondhouding.

Mijn maatregelenbrief was voor haar een verborgen en bijna onoverkomelijke boodschap: jou wordt de toegang tot je veilige ruimte ontzegd als je niet aan de eisen voldoet; jij bent niet welkom als je niet volmaakt en zonder te mopperen in het Coronamaatregelenplaatje past. 

Maar mijn cliënte was moedig… en mopperde toch. En ze was verdrietig… en huilde. Het verhaaltje “Voor je eigen veiligheid en die van de ander” hoefde ik haar heus niet op te dissen, ze kan tellen. Dus bleef er gelukkig niets anders over dan gewoon naar haar luisteren en me in haar inleven. Het was niet moeilijk toen ik mij eenmaal over mijn eerste (onuitgesproken) reactie had heen gezet, te weten: Maar ik schrijf die brief toch niet om jou te pesten? Ja haar verdriet was wel degelijk legitiem, voor zover verdriet dat niet altijd al is. Tussen haar en mij & haar safe space waren drempels opgeworpen. En het maakte even niet uit hoe perfect de redenen daarvoor eventueel te verdedigen waren.

Al pratend bedaarde ze wat. We bespraken de marge van bepaalde maatregelen en wat we zouden kunnen doen om de  speelruimte op een aantal aanvaardbare manieren wat te vergroten. Over een specifiek punt (waarover de meningen inderdaad zeer verdeeld zijn) struikelde ze het hardst. Ik woon in de stad en doe binnenshuis altijd mijn schoenen uit om geen straatvuil mee te nemen. Enkel mijn cliënten lopen geschoeid het huis hier in en uit. Nu, in Corona tijden, werd de grond me wat te heet onder de voeten en trek ik die regel door naar hen en vraag daarom om extra sokken of slofjes mee te brengen. En dàt zag mijn cliënte zichzelf nog niet doen. “Oké,” zei ik “laat me denken … Ik leg een natte dweil neer met product erin en dan ga je daar even op staan met je schoenen aan. Ook goed.”

“Ach …” zei ze.
“Tsja…” zei ze.

Ik liet het zo. Een week later was het zover. Ik verwelkomde haar met het bekende hindoe gebaar in de voordeur. Boven haar mondmasker lachten haar ogen me tegemoet. Toen ze spontaan haar gympjes uit begon te trekken, keek ik haar verrast aan. “Moet ik niet even een dweil voor je halen?” “Nee,” zei ze “ik vind het niet erg.” Eenmaal op de afwasbare stoelen en voldoende ver uit elkaar om veilig te blijven, maar niet te ver om niet meer nabij te kunnen zijn, deden we onze mondmaskers af en was het een blij weerzien na bijna drie maanden.

Het is net als met angsten; vlucht er niet voor weg. Kom ze een klein eindje tegemoet. Als ik vroeger beefde voor De Slang Onder Mijn Bed (we hadden er ook eentje in onze wc-pot), beargumenteerde mijn vader hoe er met geen mogelijkheid een slang onder mijn bed kon zitten. Zàl wel. Maar waar ik werkelijk iets aan had was het feit dat hij toch ook nog even ter geruststelling door de knieën ging voor een korte inspectie. Niets te zien. Gerustgesteld voor die nacht kon ik gaan slapen.

Zo wil je toch behandeld worden? Dat je mag uiten wat je denkt en voelt, redelijk of niet; er wordt naar je geluisterd, je wordt serieus genomen. Pas dan kan eventueel de rust ontstaan om naar de ander en diens argumenten te luisteren en ze tot je door te laten dringen. Op die grens kan werkelijk contact ontstaan. Van daaraf ga je hand-in-hand. En hand-in-hand waag je je op paden die je in je eentje niet zou durven of zelfs kunnen gaan.

De ervaring van kwetsbaarheid (en daarmee viseer ik niet de nu zo veel besproken 80-plussers), heeft de neiging om toe te nemen in bedreigde tijden. Kleine hobbels worden voor broze mensen hoge bergen. Bevoogding, betutteling en pampering, helpen niet. Ze roepen integendeel meer angsten op en in hun verlengde dus weerstand, of erger nog, apathie.

Mijn Coronamaatregelen bericht heb ik na het gesprek met mijn cliënte ietwat aangepast, minder ‘streng’ gemaakt; door haar wakker geschud voor een aspect waar ik te weinig rekening mee had gehouden. Hand-in-hand, zoals ik al zei.

foto gemaakt door Evamaria tijdens eerste lockdown