Blog

De gesloten loketten

“Waarom komen ze er nu pas mee?” is de tenenkrommende vraag die blijkbaar bij een deel van de bevolking oprijst als mensen verslag doen van een oud trauma.

“Waarom komen ze er nu pas mee?” is de tenenkrommende vraag die blijkbaar bij een deel van de bevolking oprijst als mensen verslag doen van een oud trauma. Meer specifiek lokt vooral het aankaarten van een seksueel grensoverschrijdende gebeurtenis hoog opgetrokken wenkbrauwen uit. De vraag waarom ze er nu pas mee komen, is volkomen irrelevant. Het enige dat telt is dát ze ermee komen. Eindelijk!

De moed en het zelfvertrouwen die hiervoor nodig zijn, zijn voor velen niet weggelegd. Totdat ze ergens een domino-effect zien ontstaan en op die kar mee durven te springen. Welkom, zou ik zeggen. Laat je gerust aanmoedigen door lotgenoten die de spits afbijten. Niks mis mee.

De zeer foute vraag “Waarom komt iemand er nu pas mee?” wordt  gesteld vanuit de omkadering en opinievorming die organisch deel uitmaken vanuit het hele concept van angst en onzekerheid aan de ene kant, en respectloosheid en intimidatie aan de andere; gedragspatronen waarvan lang verondersteld werd dat ze wel door de beugel konden.

Foute vragen worden soms gevolgd door goede raad: “Doe in godsnaam je mond open.” Of, om het met John de Mol te zeggen: “Ga naar de loketten!” Nog afgezien van het feit dat eigenlijk de dader dat zou moeten doen, is één van de bezwaren hierbij: àls ze er al zijn en je  vindt ook nog het juiste, wie zit daar dan achter? Je weet het maar nooit. Ik ging als zesjarige met een glasheldere klacht naar zo’n loket toe; een familielid. Degene die mij belaagde was op dat moment nog steeds in mijn nabije omgeving en zou dat nog even blijven. Het loketje kan op zich het daartoe geëigende zijn geweest. Zo zag het er in elk geval wel uit. Maar de consternatie die ontstond na wat ik meldde, was zo heftig dat het loket voor onbepaalde duur gesloten werd. Nooit meer heb ik er met soortgelijke klachten terecht gekund. Ik werd niet geloofd, dat was gemakkelijker. De loketbediende kon het niet aan. En een kind van zes accepteert dat zonder meer. Een kind van zes, of jonger, of ouder, maakt de vertaalslag dat het misschien ongeloofwaardig is, de dingen niet juist ziet, of zelf iets grondig verkeerd heeft gedaan. Dat resulteert niet zelden in decennialange stiltes. In erge gevallen soms ook in verdringing. Dan kún je niet eens getuigen. Daarmee is de niet relevante vraag beantwoord.

De stupiditeit van de opmerking “Je had toch ‘nee’ kunnen zeggen?” is zo enorm, dat ik er hier even de woorden niet voor vind. Bovendien is ook dit een niet ter zake doende vraag.  Als vrouwen nee zeggen, maakt dat toch niks uit; een oude volksdomheid zegt dat ze in feite ‘ja’ bedoelen. Trouwens, als ze ‘ja’ zeggen, ook al. Vreemd volkje. Geen wonder dat sommige mannen het maar niet vatten.

“Vroeger kon alles, nu niks meer!” is een klok die je ook hoort luiden. Daar zit wat in. We slaan volgens mij te ver door. Elke vader of moeder bijvoorbeeld, die totaal onschuldig zijn of haar peuter dan wel kleuter mee in bad neemt en zich daar onder invloed van de #MeToo beweging nu zorgen over maakt, is er een te veel. “Vroeger kon alles.” Maar vroeger is ook vijftig jaar geleden. En toen al voelde ik op mijn klompen aan, dat er op die grensoverschrijdende momenten iets vreemds en zeer verontrustends gaande was. Alles kon kennelijk toch níet.

Niet dat ik met uw eventuele nieuwsgierigheid wil spelen, maar als ik hier open en bloot zou neer schrijven wie me op 24 september 1966, ik was toen acht, out off the blue fors tussen mijn benen greep, zouden de meesten het niet geloven en zou ik mezelf  belachelijk maken. Dat besefte ik toen al, dus ging ik dit keer niet naar een loket. Terwijl diegenen die mij wel serieus namen, een horde advocaten op mijn dak zouden hebben gestuurd. Ik zou hoe dan ook de smadelijke verliezer zijn geweest. Behalve dat veel later algemeen bekend raakte dat de bewuste man wel degelijk een schuinsmarcheerder was, heb ik geen enkel bewijs (nog afgezien van het feit dat ik de behoefte niet voel om me nu nog te weer te stellen). En aan de andere kant, de kant van wat ze nu al snel een ‘roofdier’ noemen, heerste toen nog onaantastbare macht met de bijbehorende rechten. Daar ging ik niet mee op de vuist. Mij niet gezien! Nee, midden in de #MeToo beweging is dit voor mij nog steeds geen optie, zelfs al zou ik daar anderen mee helpen. Dat specifieke gevoel van machteloosheid en verlamming dat maakt dat ik niet openlijk op de barricades durf, is mij op zich helemaal niet eigen. Maar het is in dit geval sterker dan mezelf. En dát doet me pas beseffen hoe krachtig en hoe moedig diegenen zijn die het wél aankaarten.

Wild geraas

Andermans pech als cadeautje. Nu wil ik ter gelegenheid van de donkere dagen best wel eens voor zo’n kerstcadeautje zorgen. En voor diegenen die niet beginnen te schateren als een ander struikelt, maar wél opgelucht zijn dat de dingen ook bij anderen wel eens anders zijn dan ze lijken en dat ook bij hen de zaken niet altijd lopen zoals gepland, kan het een opstekertje zijn.

Dat iemand zich verheugt in andermans pech kan ik me enkel voorstellen als die ander, volgens die persoon, tegenslag heeft ‘verdiend’. Maar het schijnt verder te gaan. Daar zijn tijdens de oorlog zeer akelige proeven mee gedaan in kampen. Proeven die inderdaad aantonen hoeveel plezier de mens, als het water maar hoog genoeg aan diens lippen staat, kan hebben in het leed van volslagen vreemden. Een iets onschuldiger voorbeeld bestaat uit de kijkcijfers van het tv-programma ‘Ik vertrek‘. Die zijn hoog. Ik heb me laten vertellen dat dit direct samenhangt met de ellende waar onze noorderburen bijna per definitie aan worden blootgesteld nadat ze in dat koude kikkerlandje hun biezen hebben gepakt en vol onbegrijpelijk naïeve voorvreugde neerploffen in een godvergeten, oververhit oord, waarvan de taal hen even onbekend is als de mentaliteit. Het nieuwe onderkomen, in veel gevallen hun toekomstige luxe B&B, is een schuur die van ellende nog niet weet welke kant hij op moet vallen en waar de bouwvergunning nog voor aangevraagd moet worden in het Swahili én het Oekraïens.

Andermans pech als cadeautje. Nu wil ik ter gelegenheid van de donkere dagen best wel eens voor zo’n kerstcadeautje zorgen. En voor diegenen die niet beginnen te schateren als een ander struikelt, maar wél opgelucht zijn dat de dingen ook bij anderen wel eens anders zijn dan ze lijken en dat ook bij hen de zaken niet altijd lopen zoals gepland, kan het een opstekertje zijn.

Het tafereeltje oogt als volgt: een moeder met dochter en schoonzoon (of andersom?) zitten vrolijk op een terrasje. Zij heeft een hondje op haar schoot. De dochter (of is het de schoondochter?) krijgt tot haar verrassing een geschenkje en omhelst de vrouw. De familie idylle…

Bij de verstilde volle maan-foto die ik onlangs plaatste op mijn facebookpagina, schreef ik: makkers, staakt toch eens uw wild geraas. Dat had ik niet moeten doen. Het noodlot werd getart en dat laat het zich zomaar niet welgevallen.

De oudste heeft een kindje dat nog in de leeftijd zit van devoot haar schoentje zetten en zeker weten dat het ‘s nachts het paard van Sinterklaas op het dak heeft horen trappelen. Voor haar probeerde ik wat familie te verzamelen op een overdekt terras. Van tevoren was ik gaan kijken wat de meest geschikte plek was. Een tafeltje aan een flakkerend vuur; uit de tocht maar toch voldoende verlucht. Het is Gent. Het juiste plekje was dus gauw gevonden en gereserveerd. Jammer dat ik mijn handtas er toen heb laten staan en dat die niet meer teruggevonden is. Deze tegenvaller kwam bovenop een WhatsApp fraude, die mij niet in een stemming had gebracht waarin ik veel geld in nieuwe tassen wilde investeren.

Kind nummer 2 zat op de bewuste dag nog in (Covid)quarantaine, maar kon volgens de berekeningen de dag erop wel van de partij zijn. Kind nummer 3 kon ‘nog niets beloven’. Kind nummer 1 en de eetgelegenheid gingen ermee akkoord om de ontmoeting een dag te verschuiven. Nu kwam het neer op een week puur verheugen en hopen dat nummertje 3 ook nog kon komen.

Twee uur voor het bewuste moment kreeg ik goed nieuws: kind nummer 3 kon! Maar … mocht het niet een uurtje eerder? Dit berichtje werd onmiddellijk gevolgd door een appje van kind 1, dat vroeg of het niet een uurtje later kon. De jaren gaan niet aan me voorbij zonder dat ik er toch af en toe iets uit oppik, dus ik schreef: ‘Vanaf 15u00 uur zit ik daar zoals afgesproken op dat terras en jullie zien maar wanneer je kunt.’ Een uur te vroeg ging ik fit en vrolijk op pad met mijn hondje, zodat het moe gewandeld zou zijn en zich zou gedragen op het terras. (Dat bleek ijdele hoop.) Onderweg hoorde ik achter me, in mijn rugzak, allerlei verdere berichtjes binnen komen: kind nummer 1 (die met het kleinkindje waar alles om begonnen was) verschoof de afspraak en zei iets later wegens omstandigheden maar even helemaal af. Kind nummer 3 vroeg me om iets mee te brengen van huis, wat niet meer lukte omdat ik al onderweg was. Kind nummer 2 liet weten dat de quarantaine toch nog niet ten einde was. Foutje in de berekening, kan gebeuren mama. Mijn hondje kon het niet verwerken dat ik om de paar stappen stilstond met mijn gsm. Het raakte daarom pas waarlijk geïnspireerd op het eind van de wandeling in het volle zicht van mijn volgeladen terrasje. Daar was het pijnlijk schutteren met een onmogelijk open te krijgen plastic zakje, terwijl de gasten er ook niet blij van werden. Enigszins gelouterd streek ik uiteindelijk neer op de gereserveerde stoel. Het beloofde vuurtje was niet aan, maar daar zou op mijn vraag wat aan gedaan worden “als het koud werd”. Pardon, kón het nog kouder? Na een kwartiertje eenzaam rillen, meldde kind nummer drie zich telefonisch om te vragen waar ik bleef… Het zat wél al gezellig op een terras, maar aan het verkeerde plein. En dat zou mijn schuld zijn. Er volgde overleg: zou het nog wel de moeite zijn om te komen, want er bleek een dubbele afspraak te zijn geboekt. Met een collega. “Kun je die collega niet meenemen?” voeg ik, terwijl ik overlegde of ik zou gaan huilen of me vele jaren te laat nog eens in een pedagogieboek zou verdiepen (titel: Goed voorbeeld doet niet volgen). De bereidwillige collega kwam mee en het werd nog best gezellig. We bleven zitten tot zes uur. Al die tijd heeft het personeel het, ondanks drie maal opnieuw vragen, verrekt om de vlammetjes bij onze tafel aan te steken. De misplaatste trouw aan mijn afspraak hield me vast op de verkeerde plek. Voer voor therapie.

Eenmaal thuis gekomen, begon het ‘heerlijk avondje’. Althans hoopte ik dat Sinterklaas verder vooral stilletjes mijn huisje voorbij zou rijden. Ik deed mijn bibberende hondje onder de warme douche, hees mezelf in een comfortabel huispak, zette mijn verstand op nul en deed net mijn schort voor om wat te koken, toen de bel ging: kind nummer 1 met partner en mijn kleindochter stonden alsnog voor de deur! De deur van mijn niet opgeruimde en nog niet voldoende opgewarmde appartement. Het Sintcadeautje dat ik oorspronkelijk voor de kleindochter had gepland, had ik ook wel passend gevonden bij kind nummer 3 en had ik ’s middags op het gure terrasje dus al meegegeven. Daar stond ik. Bekaf, koud tot op het been en met lege handen. Op hetzelfde moment belde mijn vader me op met de laatste berichten over mijn broer, die voor een verschrikkelijk afscheid staat.

Paardje was weliswaar nog lang niet moe, maar ik heb mijn visite naar huis gestuurd. Visite die zelf weet wat pech is en daardoor veel kan begrijpen.

En nu bukken voor de Kerst.

Voorvertoning in nieuwe tab

Foto: Evamaria

In Memoriam,
Jeroen Jansen
19 september 1961 – 23 december 2021


Eyeopener

 

Een paar zomers geleden stonden de Nederlandse kranten vol van een afschuwelijke moord op een kind. Een moord is altijd afschuwelijk, maar hier zaten wat randjes aan die boven het bevattelijke gingen. Ook ik was kotsmisselijk van medelijden. Geen moment kwam het in me op dat ik een paar jaar later de moeder in mijn praktijk zou ontvangen.

Van heel jongs af aan was het me al tot in mijn vezels eigen; erkenning is het enige antwoord op lijden. Het enige antwoord dat bij kan dragen aan verzachting van het leed. Tot voor heel kort ben ik daarvan overtuigd gebleven en heb het veel in praktijk gebracht. Niet voor niets koos ik dit beroep en niet voor niets haal ik daar nu, dertig jaar later, telkens weer de kracht uit om niet af te stompen, verbitterd of verveeld te raken, of overbelast.  

Een paar zomers geleden stonden de Nederlandse kranten vol van een afschuwelijke moord op een kind. Een moord is altijd afschuwelijk, maar hier zaten wat randjes aan die boven het bevattelijke gingen. Ook ik was kotsmisselijk van medelijden. Geen moment kwam het in me op dat ik een paar jaar later de moeder in mijn praktijk zou ontvangen. Een lange reis moet ze ervoor maken, maar dat heeft ze over voor de mogelijkheid om hulp te zoeken buiten de grote kring meelevenden -zo’n beetje het hele land- die ze om zich heen heeft.  

Ik kan persoonlijk nauwelijks begrijpen hoe ze overeind blijft en zelf snapt ze het ook niet goed. Het is dan ook allesbehalve evident dat ze zal besluiten om hier te blijven. Het feit dat ze nog andere kinderen heeft, is meer een gevangenis dan een troost. Natuurlijk houdt ze van die kinderen, maar haar pijn is allesoverheersend en ook de liefde verdrinkt daarin.  

Tijdens een van onze gesprekken peilde ik naar de betekenis die het voor haar heeft dat de meelevende kring om haar heen zo groot is en deels zo anoniem.  

Daar het niet haar eerste sessie bij mij was, kwam haar antwoord niet volledig als een verrassing: verschrikkelijk vindt ze het, al die aandacht. Ze krijgt geen rust. Ze wil rouwen. Maar ze moet honderden kaartjes door haar handen laten gaan en er nog blij mee zijn ook. Kaartjes waarop totaal vreemden zich voor haar gevoel het verdriet om haar kind toe-eigenen en haar dingen toewensen en toedichten waar zij niets mee kan en die helemaal niet bij haar passen. Waarom toch? Het is háár kind, háár verdriet, verdriet dat beleefd wil worden in de intimiteit van háár gezin. Mensen halen uit kranten en de sociale media de details die ze zichzelf nog niet eens toestaat om te kennen en misschien wel nooit wíl kennen. Vreemden weten, of menen dat, meer over de laatste momenten van haar kind dan zij, de eigen moeder. Ze heeft het gevoel dat haar kind haar postuum nóg eens wordt afgenomen.  

Al had ik het nog nooit zo bekeken, ik begreep haar maar al te goed. Een geval van medeleven dat totaal overbodig is, sterker nog, een inbreuk.  

Dat deed me denken aan de kinderen van Diana die als volwassenen, jaren na haar dood, ervan getuigden dat ze de massale belangstelling en uitbarsting van liefde na hun moeders dood niet begrepen hadden en op dat moment ook niet konden appreciëren. “Jullie kenden haar toch niet? Het was toch ónze ‘Mummy?” Wie kent dat kostbare woordje niet? Waarom mochten ze niet in hun vertrouwde, rustige omgeving met de hun vertrouwde mensen op hun eigen tempo tot zichzelf komen? Waarom moesten ze het verdriet van al die vreemden over zich heen krijgen op een moment dat ze er zich zelf nog totaal geen raad mee wisten?  

De massale rouwbetuigingen, de bloemenzee, alle snikken en tranen, het applaus dat hen die hele lange wandeling achter de affuit met de kist begeleidde; het was op dat moment allemaal ballast. Geen steun.  

Wat een eyeopener. 

illustratie: Evamaria

“Altijd vakantie!”

Als puber sliep ik slecht en sloeg wel eens een dagje school over. Dan kroop ik lekker in mijn bed; iets minder ziek dan mijn moeder dacht. En daar lag ik, heerlijk uitrustend onder de veilige dekens en op de zachte matras die toen nog niet verboden was voor de rug. En daar, in mijn schuiloord, bereikte me via mijn gehoor een hele wereld waar ik voordien nooit oor voor had gehad. In plaats van dat mijn moeder gezellig boven aan mijn bed een theetje zat te drinken en met me te kletsen tussen de vele speculaasjes door, gebeurde er onder mij iets wat ik niet meteen kon plaatsen; een wirwar aan geluiden drong opwaarts tot mijn kamertje door. Krakende traptreden, deuren die constant open en dicht gingen, voetstappen overal in het huis, water dat ik door de buizen hoorde lopen, de wasmachine die centrifugeerde, de auto die startte en even later weer terug kwam, haar fietsbel (waar was ze nu weer heen?) de stofzuiger die zoemde. Tussendoor haar stem, waarschijnlijk aan de telefoon (met wie belde ze in godsnaam, ik was toch thuis?), kortom wat dééd die vrouw daar beneden allemaal? We hadden toch eens per week een werkster? En hutspot op tafel zetten kon toch ook zo’n tijdrovend drama niet zijn? Onze voeten veegden we toch als we binnenkwamen? We waren zelfs meestal zo goed om de dop weer op de tandpastatube te doen als we uitgepoetst waren. Klaar was je toch? Kortom, ze moest echt zeeën van tijd over hebben om bij me te zitten. Wat ze daar allemaal in dat huis uitspookte, was me een raadsel. Maar dat is inmiddels opgelost.

Heel veel later. Mijn reeds gepensioneerde man en ik waren een weekje op vakantie in eigen land. Toen midden in die week een aangetrouwd familielid zijn bezoek aankondigde, waren we allesbehalve enthousiast. We kenden ons opportunistje en wisten dat zijn plotse interesse in ons onmogelijk onschuldig kon zijn. We sputterden tegen, maar hij drukte door. Op onze vraag waar het dan wel om ging, was het vlakaf: “Niets, een gesprekje, gewoon, uit respect voor jullie.” Toen begonnen we pas echt te beven. Hier was iets helemaal niet pluis. We hebben nog geprobeerd om ons af te schermen met het feit dat we wel vakàntie hadden, maar het was niet aan hem besteed; voorbijgaand aan het feit dat ik nog wel degelijk werk, gaf hij voorgoed vleugels aan de woorden: “Jullie zijn met pensioen, dus … jullie hebben altíjd vakantie.” Hij kwam, sprak en dompelde ons voor de rest van ons verblijf en de jaren erna onder in een financieel lastig watertje. Maar zijn uitspraak hebben we nog vaak dankbaar herhaald als we ons weer eens uit de naad werkten om alles wat we wilden ook af te krijgen. “Áltijd vakantie!” riepen we elkaar dan honend toe en dat klaarde meteen de lucht merkwaardig op.

Zelf nog steeds niet met pensioen zijnde, merk ik wel aan mijn partner wat dat is; pensioen is géén vakantie. Ja, je gaat niet meer voor je baan op pad of kruipt ervoor in je thuiskantoor, maar voor de rest blijven veel lasten dezelfde. Terwijl de krachten afnemen. Je huis dien je op orde te houden, eenzelfde aantal pannen moet er per maaltijd afgewassen worden als voorheen, je aanrecht wordt er niet kleiner op en niet minder vuil na het koken, de planten hebben even veel water nodig als vroeger, stof daalt net zo rijkelijk neer uit de atmosfeer als voorheen, je verschoont nog steeds wekelijks je bed, je betaalt aan dezelfde wirwar van instanties je rekeningen (op voor semi digibeten steeds geheimzinniger manieren), je veegt evenveel sneeuw bij je voordeur weg in de winter en in de herfst bladeren, je onderhoudt eenzelfde aantal vriendschappen en doordat de ‘handenbindertjes’ de deur uit zijn zelfs meer. Kinderen en kleinkinderen en bovendien op deze vroege pensioenleeftijd vaak ook nog zéér oude ouders blijven een beroep op je doen. Het gras in je tuin groeit zoals steeds veel te snel, afstanden naar winkels, de fietsenmaker en het postkantoor blijven dezelfde. Je moet op computerles om met je kleinkinderen te kunnen converseren. Het rondje specialist- apotheek-en weer dokter kan je dagen gaan beheersen. Er zijn ook zaken die minder worden, met name de hoeveelheid was. En de uren op een dag dat je je echt fit voelt. En je slaap. En je tempo dus. En, en, en … er is zoveel.

Toen ik er wél oog voor kreeg, kon ik het mijn moeder niet meer vertellen; hoe jammer ik het vond dat ik destijds uit onnadenkendheid zo losjes heengegaan was over de inspanningen die ouders en grootouders moeten leveren. Inspanningen om uiteindelijk alles nog een beetje met geheven hoofd bij te kunnen benen. De verwachtingen ten opzichte van hen zijn vaak hoog en blijven dat, nog lang nadat het allemaal niet meer zo vanzelf spreekt. Troost is de gedachte dat het overal zo gaat en dat extra bezorgde, verantwoordelijke en meelevende kinderen dat vaak zijn door gezinsomstandigheden die niet optimaal zijn. Vanuit angst voor verlies van veiligheid. Met andere woorden, het is normaal om als kind niet na te denken over hoe het brood op de plank komt en wie het dan wel gebakken heeft. En als daar in een kinderhoofdje wél grote zorgen rond leven, wordt het kind mogelijk onvoldoende afgeschermd tegen rauwe werkelijkheden.

Met opnieuw en ditmaal extra dank aan Kitty van der Weij, één van mijn trouwe ‘redactrices

Foto: Evamaria Jansen

Voorbeeldfunctie

Door het huidige onderwijs kunnen peuters tegenwoordig kort na het betreden van hun gezamenlijke zandbak al tot tien tellen en meer. Die gedachte schiet me steeds door het hoofd als ik bepaalde politici ‘bezig’ zie met hun land wanbeheren. Je vraagt je af wat er bij die figuren in de peuterspeelzaal zo fataal de mist is in gegaan. Dit is niet bij wijze van spreken, maar letterlijk bedoeld. Ook de ‘Hollandse overdrijving’ gaat hier niet op. Nee, ik heb het -naast egoïsme, machts en -geldhonger- over naakte, beschamende en verbijsterende stupiditeit aan de top. 


In Nederland zit daar in die regionen een zekere Fred Grapperhaus, minister van justitie. Hij is de motor achter de gezichtsmaskerhetze en of je nu in de werking van die dingen gelooft of niet doet er hier even niet toe.
Deze meneer heeft besloten om te trouwen. Niks mis mee, maar waarom in volle Corona tijd een groot feest erbij? Waarom kon er niet gewacht worden op rustiger tijden? Het plebs zal het antwoord wel nooit te weten komen en misschien zijn er werkelijk wel valabele redenen voor deze viering op dit moment. Dus laat ik hem het voordeel van de twijfel geven. Ze hebben als locatie voor de receptie op het laatste moment geopteerd voor een feestzaal. Hun geplande thuisfeest zou namelijk wel wat vreemd over hebben kunnen komen op een volk dat gesommeerd wordt in beperkte bubbels te leven, zeker binnenshuis. Daar de verloofden de locatie geheim hadden gehouden, gingen ze ervan uit – en nu beginnen mijn hersenen al lichtelijk te kraken – dat de keuze ook geheim zou blíjven. Niet dus. Natuurlijk niet. Daar hebben we het journaille voor. Vervolgens houden de minister en diens vriendenkring, waar ook het een en ander aan top in vertegenwoordigd was, zich niet aan de te vuur en te zwaard door de minister zelf doorgedrukte Covidregels. En ze laten zich daarbij nog betrappen ook. Een peuter die verstoppertje speelt, pakt het slimmer aan.


Ik stel mezelf toch enkele vragen. Zou ik als minister van uitgerekend justitie een groot huwelijksfeest geven in volle mondiale crisistijd? Waarschijnlijk niet. Want ik weet hoeveel voeten de organisatie van een béétje bruiloft in de aarde heeft. En dat zou ik niet graag combineren met mijn werk wat misschien nog wel nooit eerder zo belangrijk is geweest als nu. Zou ik me laten betrappen? Vergeet het maar, ik zou me óf aan de regels houden óf in een beveiligde bunker trouwen. Nooit zou het in me opkomen om een soort lapdance buiten op het bordes te gaan uitvoeren met zijn zestigen. Wat ik me wel zou kunnen indenken, heel goed zelfs, is dat ik in mijn voorbeeldfunctie zou kiezen voor een spectaculair feest, waar de hele bevolking zijn hart aan mag ophalen in moeilijke tijden. Daarvoor zou ik met mijn riante salaris (let op, ik ben dus nog steeds minister) een kudde weddingplanners inhuren, een paar virologen, een psycholoog of twee-drie, een intelligente politieagent, een modiste (voor de gratis mondmaskers in feeststijl) en een peutertje om iedereen met de voeten op de grond te houden. Samen mochten die dan, terwijl ik me wijd aan mijn land in nood, een gebeuren organiseren waaraan zowel de gasten en het hele volk zich zouden kunnen laven en toch zo veilig mogelijk blijven. Een erehaag van plastic handschoenen zou ik neer laten zetten. Honderden witte ballonnen loslaten met ‘Feest niet als een beest’ erop. Duiven met kleine witte lakentjes in hun bekjes zou ik laten uitvliegen om het zorgend personeel en zoveel anderen te bedanken. Een fontein van handgel op het bordes met een loper van gezonde voornemens. Stichtende teksten op de mondmaskers, waar de fotografen dan weer op mogen inzoomen als ze het juiste volkslied van ons landje hebben kunnen produceren, wat, dat weet elke Belg, nogal een benenbreker is voor sommige politici. Een voorbeeld van een party zou ik ervan maken, en vervolgens het draaiboek vrij geven voor publicatie, ter ondersteuning van mijn in een wirwar van elkaar tegensprekende Coronamaatregelen ronddolend volk.

Wellicht zou mijn bruiloft op die manier nog een aftrekpostje zijn ook.

 

Welkom

Met een heel goed gevoel schrijf ik na de eerste lockdown mijn mail met Coronamaatregelen die ik binnen mijn praktijk wil en deels moet toepassen; aangenaam zorgzaam voel ik me ten opzichte van de veiligheid van mijn cliënten, van mijn cliënten onderling, de onderbuurvrouw met wie ik het trappenhuis deel, en mezelf. Echt blij ook, omdat ik weer live kan gaan na alle video calls en telefoongesprekken, die in sommige gevallen toch iets halfslachtigs hebben. ‘Send’ en klaar. Na een paar minuten al -ping!- de eerste reactie. De live agenda vult zich weer. Het krukje, waarop in de praktijkruimte mijn phone voor de videocalls geïnstalleerd was, komt met een bloemetje en een flacon handgel bij de voordeur te staan. Mentaal begin ik me ook voor te bereiden op het openstellen van mijn tien weken lang zorgvuldig afgeschermde bubbel.

Tussen het maken van afspraken door kreeg ik een cliënte aan de telefoon die erg graag terug wilde komen, maar die de maatregelenbrief niet goed verteren kon. Het natuurlijke, vanzelfsprekende contact wat ze samen met mij met moeite en pijn had weten op te bouwen, werd voor haar gevoel doorkruist. Zelden heeft ze zich ergens werkelijk welkom gevoeld, te beginnen bij ouders die zich midden in hun rouw om hun overleden kindje geconfronteerd zagen met een nieuwe zwangerschap. Een zwangerschap die ze nog niet aan konden. Ze lieten het nieuwe kind, mijn cliënte, levenslang op de breekbare eierschalen van hun pijn ronddolen. Sorry, sorry, sorry! Sorry dat ik besta. Ze sprak het nooit uit, maar het werd wel haar grondhouding.

Sorry dat ik niet mijn zusje ben.
Sorry dat het me maar niet lukt om volmaakt te zijn zoals mijn zusje zeker zou zijn geworden … áls ze de kans had gekregen.
Maar ik doe mijn best. Mijn uiterste best en ik klaag niet.

Ze sprak het nooit uit, maar het werd wel deel twee van haar grondhouding.

Mijn maatregelenbrief was voor haar een verborgen en bijna onoverkomelijke boodschap: jou wordt de toegang tot je veilige ruimte ontzegd als je niet aan de eisen voldoet; jij bent niet welkom als je niet volmaakt en zonder te mopperen in het Coronamaatregelenplaatje past. 

Maar mijn cliënte was moedig… en mopperde toch. En ze was verdrietig… en huilde. Het verhaaltje “Voor je eigen veiligheid en die van de ander” hoefde ik haar heus niet op te dissen, ze kan tellen. Dus bleef er gelukkig niets anders over dan gewoon naar haar luisteren en me in haar inleven. Het was niet moeilijk toen ik mij eenmaal over mijn eerste (onuitgesproken) reactie had heen gezet, te weten: Maar ik schrijf die brief toch niet om jou te pesten? Ja haar verdriet was wel degelijk legitiem, voor zover verdriet dat niet altijd al is. Tussen haar en mij & haar safe space waren drempels opgeworpen. En het maakte even niet uit hoe perfect de redenen daarvoor eventueel te verdedigen waren.

Al pratend bedaarde ze wat. We bespraken de marge van bepaalde maatregelen en wat we zouden kunnen doen om de  speelruimte op een aantal aanvaardbare manieren wat te vergroten. Over een specifiek punt (waarover de meningen inderdaad zeer verdeeld zijn) struikelde ze het hardst. Ik woon in de stad en doe binnenshuis altijd mijn schoenen uit om geen straatvuil mee te nemen. Enkel mijn cliënten lopen geschoeid het huis hier in en uit. Nu, in Corona tijden, werd de grond me wat te heet onder de voeten en trek ik die regel door naar hen en vraag daarom om extra sokken of slofjes mee te brengen. En dàt zag mijn cliënte zichzelf nog niet doen. “Oké,” zei ik “laat me denken … Ik leg een natte dweil neer met product erin en dan ga je daar even op staan met je schoenen aan. Ook goed.”

“Ach …” zei ze.
“Tsja…” zei ze.

Ik liet het zo. Een week later was het zover. Ik verwelkomde haar met het bekende hindoe gebaar in de voordeur. Boven haar mondmasker lachten haar ogen me tegemoet. Toen ze spontaan haar gympjes uit begon te trekken, keek ik haar verrast aan. “Moet ik niet even een dweil voor je halen?” “Nee,” zei ze “ik vind het niet erg.” Eenmaal op de afwasbare stoelen en voldoende ver uit elkaar om veilig te blijven, maar niet te ver om niet meer nabij te kunnen zijn, deden we onze mondmaskers af en was het een blij weerzien na bijna drie maanden.

Het is net als met angsten; vlucht er niet voor weg. Kom ze een klein eindje tegemoet. Als ik vroeger beefde voor De Slang Onder Mijn Bed (we hadden er ook eentje in onze wc-pot), beargumenteerde mijn vader hoe er met geen mogelijkheid een slang onder mijn bed kon zitten. Zàl wel. Maar waar ik werkelijk iets aan had was het feit dat hij toch ook nog even ter geruststelling door de knieën ging voor een korte inspectie. Niets te zien. Gerustgesteld voor die nacht kon ik gaan slapen.

Zo wil je toch behandeld worden? Dat je mag uiten wat je denkt en voelt, redelijk of niet; er wordt naar je geluisterd, je wordt serieus genomen. Pas dan kan eventueel de rust ontstaan om naar de ander en diens argumenten te luisteren en ze tot je door te laten dringen. Op die grens kan werkelijk contact ontstaan. Van daaraf ga je hand-in-hand. En hand-in-hand waag je je op paden die je in je eentje niet zou durven of zelfs kunnen gaan.

De ervaring van kwetsbaarheid (en daarmee viseer ik niet de nu zo veel besproken 80-plussers), heeft de neiging om toe te nemen in bedreigde tijden. Kleine hobbels worden voor broze mensen hoge bergen. Bevoogding, betutteling en pampering, helpen niet. Ze roepen integendeel meer angsten op en in hun verlengde dus weerstand, of erger nog, apathie.

Mijn Coronamaatregelen bericht heb ik na het gesprek met mijn cliënte ietwat aangepast, minder ‘streng’ gemaakt; door haar wakker geschud voor een aspect waar ik te weinig rekening mee had gehouden. Hand-in-hand, zoals ik al zei.

foto gemaakt door Evamaria tijdens eerste lockdown

Achter glas

Wegens de in België vrij strenge covid-19 maatregelen is het heel moeilijk en vaak onmogelijk geworden om onze ouders en grootouders, die eenzaam zitten te verpieteren in sterfhuizen, te bezoeken.
Tijdens een video call die ik vandaag had met een cliënte, vertelde die me dat ze haar oma onder strikte Corona maatregelen voor de eerste keer sedert acht weken lockdown had gezien. Ze verlangden allebei enorm naar dat contact. Toch overwoog mijn cliënte om niet meer terug te gaan. Waarom ze het bij dit ene bezoekje wilde laten? Kijk, haar oma was toch zo verdrietig geweest toen het afscheid naderde.

Dit deed me denken aan een voorval, lang geleden in het ziekenhuis. Ons dochtertje was op dag drie met spoed in de couveuse beland. Er volgde een volledige bloedtransfusie en verder was het afwachten of het goed zou komen. Bange dagen volgden. De couveuse afdeling lag direct bij mij om de hoek. Mijn kamer was de meest nabije van de hele gang. Als de verpleegsters de telefoon bij de couveuse hielden en ik de geluidjes van mijn wakker wordende dochter hoorde, stond ik binnen de minuut bij haar, zachtjes tegen haar pratend, mijn handen rustten in de couveuse op haar lijfje tot ze helemaal tevreden was. Vaak moest ik echter plaats ruimen voor de meer gespecialiseerde zorg, die ik niet kon geven. De verpleging, dat voelde ik wel aan, had daar liever geen pottenkijkers bij. Ik werkte mee, zij het met zwaar hart. Groot was dan ook mijn schrik toen mij voorgesteld werd om minder te komen. Mijn kleintje ‘bleef zo lang onrustig als ik weer weg was ze leek me wel te zoeken’ werd er gezegd.
PRACHTIG! Ondanks de hoge muren die plots tussen ons prille moeder-dochtercontact waren opgetrokken, ontstond er dus hechting bij haar; er was iets niet in orde als mama er niet was. Ze leerde wat het was om iemand te missen en diegene dan weer terug te vinden. En ja, pijn en rouw zijn de keerzijde van hechting. De gevolgen van je niet mogen hechten zijn echter veel desastreuzer. “Minder komen?”, zei ik dan ook, “Geen sprake van. Ik wil haar juist nog vaker zien. Alle wakkere momenten wil ik vanaf nu bij haar zijn.” Dat is de invulling van een heel normale, mooie en levensreddende behoefte van een pasgeboren kind, zeker bij pijn en ziekte. Mijn uitleg werd geaccepteerd en bijgevolg ook mijn veelvuldige aanwezigheid. Als ze wakker was tenminste, want ze sliep met een gerust hartje steeds vele genezende uren achter elkaar door. Een engel van een baby. Geen enkele onrust meer. 

Toen ik deze herinnering met mijn cliënte deelde, reageerde ze voortvarend: “Vanaf nu bezoek ik oma elke week.” Uit angst voor de pijn van het afscheid kun je niet de essentie van het samenzijn laten vallen, zo werkt dat niet. Dat is het kind met het badwater weggooien.
De rijken, machtigen en drukken der aarde, die gebruik maken van nannies, gouvernantes en aanverwanten, wisselen vaak elk jaar van personeel. Dit omdat ze niet willen dat hun kroost zich aan een ander hecht dan aan hen, de ouders die veel te vaak weg zijn of moeten zijn. Puur egoïsme dus en ik vind het een vorm van dubbele verwaarlozing. Als je je kind niet voldoende nabijheid kunt bieden, gun het dan tenminste die van een ander.

In feite is dit ook een patroon binnen echtscheidingen, waarbij de ene ouder de kinderen helemaal of gedeeltelijk los moet laten om het het kind mogelijk te maken zich in vrijheid wel of niet te verbinden met een nieuwe partner van de andere ouder. Dit is de zwaarste lakmoesproef voor onvoorwaardelijk ouderschap. Ik ken er een paar die dit, niet zonder moeite, niet zonder slag of stoot, niet zonder innerlijke worstelingen, toch voor elkaar krijgen.

foto gemaakt door Evamaria tijdens eerste lockdown

Nog even niet!

Zesentwintig april van het onvergetelijke jaar tweeduizendtwintig. Een schokkerig bewegend beeld verschijnt op het schermpje van mijn smartphone, veel ondersteboven voorbij flitsend groen en uiteindelijk het doelwit: een kring Turkse mensen, op één grote deken. Of het om een familie gaat of om een groepje vrienden met kinderen, valt vanaf de buitenkant niet in te schatten. In hun midden op de deken staan schalen uitgestald: couscous & rozijnen, tahina, köfte, sarma, borek, olijven, tomaten, geitenkaas en yoghurt. Zoiets. Dit op een openbaar grasveld in volle Coronatijd. Op een prachtige zomerse zondagnamiddag. 

Een brave burger is hier aan de slag met zijn eigen smartphone, het nieuwe wapen dat voor velen de pen vervangt. Hij voorziet de beelden van de razende reprimande waarmee hij het groepje opschrikt. Dit privé initiatief deelt hij even later met de wereld, met de vraag het filmpje vooral verder te delen. Hij schaamt zich niet voor het naakte racisme dat spreekt uit zijn beschuldigingen aan het adres van de picknickers. Alsof hij en wij allemaal ons strikt aan de Corona maatregelen houden en de huidige epidemie puur te danken hebben aan muitende Turken die samen op een dekentje zitten te smikkelen. 

Ik kom óók buiten. Mijn leeftijd en een nierdingetje zouden van mij een zogenaamd hoog risico patiënt maken en ik neem dan ook alle voorzorgsmaatregelen die ik maar kan bedenken om besmetting te voorkomen. Wat ik niet verhinderen kan, is het veelvuldig bijna in botsing komen met het toenemend aantal mensen dat zich in topjes en sportbroekjes al puffend en zwetend voort jogt, skeelert, fietst, skateboard of in ludieke combinaties daarvan. Transmissiezone: zes meter in plaats van de beruchte en sowieso al te krappe anderhalve meter en dat gebied breidt zich door beweging ook nog eens snel in de lengte uit – déden die fitte jongens maar van top tot teen ingepakt in een boerka hun buik-, rek- en strekoefeningen, opdrukkertjes, surplacekes en fietsbewegingen op een dekentje – niet voor niets is joggen nog steeds verboden. Maar waag het niet mensen om social distance te vragen. Ik héb het gewaagd en kreeg de middelvinger, het bekdichtgebaar en natuurlijk de eeuwige dooddoener, de kers op de taart: mijn Nederlandse accent.

Het zijn allemaal gewone landgenoten. Er is me tijdens die bijna-botsingen nooit opgevallen dat een overwegend deel Turks of anderszins buitenlands zou zijn.

Op diezelfde prachtige zomermiddag als waarop het bewuste filmpje ontstond, wilde ik tijdens mijn wandeling even wat uitrusten in de schaduw van een paar bomen.  Ik moest al snel opschuiven voor vijf luidruchtige mannen die om bij hun bankjes te komen het afzetlint eromheen wegrukten en de op de bankjes aangebrachte signalen ‘In Gent gaan wij er niet bij neerzitten’ in die zin strikt opvolgden dat ze er ‘In Gent gaan wij erbij neerliggen’ van maakten. Een penetrante geur van mensen die al heel lang puur bier zweten, walmde mijn kant op en hun lege blikjes en strijdkreten vlogen in het rond. En weer geen Turk te zien. Een politiecombi vertraagde, de agent bekeek de situatie vanuit zijn geopende raampje en besliste om zonder in te grijpen weer op te trekken. De willekeur. Deze week nog hoorde ik tijdens een telefonisch consult dat een cliënt met zijn vriendin al pratend even stil stond op een paadje in een park. Een politieagent maande hen verder te lopen, ze mochten niet stilstaan.  Wat ik vreemd vind, gezien de verminderde verspreiding van het Covid-19 virus bij stilstand, maar over de logica van bepaalde maatregelen denk ik binnen deze column even niet hardop na.

Ik haalde tot voor een maand eens in de week mijn groenten uit wat een kruising zou kunnen zijn tussen een winkeltje en een groentekraampje. Familiebedrijfje. Goedkoop, vers en een vriendelijke bediening. Ze doen niet veel aan preventie, om niet te zeggen niets. Het was dus heel erg oppassen daar. Tijdens mijn laatste keer was een keurige oudere landgenote met heel veel heen en weer gemanoeuvreer nog niet te ontwijken. Uiteindelijk botste ze voluit tegen mij op. Het lag niet aan mij. Mijn “Maar mevrouw, u moet afstand houden! U brengt uzelf en mij in gevaar” wuifde ze weg met de woorden: “Maar ik moet toch kunnen wínkelen?!” Het personeel rolde met de ogen. Om haar of om mij? Dat weet je momenteel nooit; moraalridders vormen óók geen leuk volkje. Maar bij de niet beschermde kassa zei de evenmin beschermde baas van het zaakje dat ik eens moest weten wat voor idioterie hij allemaal te zien krijgt qua overtredingen op de maatregelen … Pffff, ik ging vrij uit en durfde nu openlijk naar mijn flesje ontsmettingsgel te grijpen.

Troost breng het feit dat van dit voorval de incubatietijd voorbij is. En ik troost me vooral met de luxe dat ik, als ik wil, ook volledig thuis kan blijven en dat ik als ik wil, of liever gezegd wens, mijn boodschappen kan laten bezorgen (maar er is enig computerwerk voor nodig wat ik niet spontaan beheers, zodat ik net als veel van  mijn generatiegenoten en ouder nu klem kom te zitten). Het is hier goed. Het uitzicht is mooi. De buurt is nu rustig. De Leie kabbelt ongehinderd en geruisloos voor mijn balkon langs, met jonge eenden-families erop dobberend, die niet steeds alle kanten op moeten stuiven om de eeuwige stroom rondvaartboten te ontwijken. Nooit was ik dankbaarder voor deze plek dan nu.

Toch moet ik iets bekennen. Zo boos en agressief als de Gentenaar van de inleiding was … ben ik vaak ook. 

Boos op iedereen die de middelvinger opsteekt tegen zowel de opgelegde als de beleefd gesuggereerde maatregelen. Schrikwekkend boos word ik er zelfs van. Ik hoor mezelf dezer dagen tegen mijn man dingen zeggen als: “Je zou ze toch met de koppen tegen elkaar slaan?” (hij, stoïcijns: “Nee, de koppen moeten juist uit elkaar!”) en: “In deze tijden nog zulk egoïstisch gedrag … zijn ze niet om neer te maaien?!” (hij: “Klootzakken blijven klootzakken, ook in crisistijden”) en: “Hoe onwaarschijnlijk diep kun je als mens eigenlijk zinken, vloekerdevloekerdevloek.” Enzovoorts. Mijn emoties bereiken in sommige gevallen zelfs iets wat grenst aan haat. Mijn veiligheid wordt door onthutsend dom, egoïstisch en arrogant gedrag bedreigd. Ja, ook arrogant. Want zijn al diegenen die zich niet aan de regels houden soms virologen, die het dus beter weten dan wij, terwijl de virologen er onderling nog niet eens uit zijn? En wanen ze zich bovendien onsterfelijk? Waar halen ze het vandaan om ervanuit te gaan dat ze vrijelijk over andermans welbevinden mogen beslissen? Het flagrante van die inbreuk kun je toch zelfs met één hersencel nog vatten?

Áls ik de mainstream media mag geloven, zijn wij in oorlog met het Covid-19 virus waar we nog steeds veel te weinig van af weten. We blijven maar achter de verbijsterende feiten aan hollen. We bevechten in losgeslagen groepen een onzichtbare, onberekenbare en razendsnelle vijand. Je kunt het ook een guerrilla oorlog noemen.

Vanuit onze gemakkelijke stoel kunnen we ons het verraad en de misse daden die in oorlogstijd gepleegd worden vaak met geen mogelijkheid voorstellen. Eén ding is zeker: jij en ik zouden het nooit doen!

Ik mag het hopen. Wat ik nu hoor, zie en soms in mezelf voel opvlammen, doet me voor de zoveelste keer denken: zeg nooit nooit. De meest vredelievende en wellevende vriendin die ik heb – zo eentje die bomen omhelst, een wijd verbreide vriendenkring met haar warme zorgen omhult en in parken weggegooide flessendoppen opraapt voor het goede doel – is onlangs ook ontspoord. Middenin de Albert Heijn gebeurde het nooit geziene. Tot haar eigen verbijstering sloeg ze tilt en haalde uit naar een man die haar personal space maar niet wilde respecteren en uiteindelijk ook nog in haar gezicht en over de groenten heen niesde. Honderdduizend kleine druppeltjes die met een vaartje van tot honderdzestig kilometer per uur de ruimte in geslingerd werden. In blinde woede gaf ze hem een geweldige lel om zijn oren. Blijkbaar komen in crisis niet alleen de beste kanten in ons naar boven, maar ook de slechtste en de domste (want hard wegrennen was misschien handiger geweest). 

PS Ik heb er genoegen in geschept om het hier gewraakte filmpje niet te delen.

Het beeld van Michael Borremans staat voor overdracht van kennis en is op 26 april 2020 gefotografeerd door mij bij de Crook in Gentael Borremans

Het virus dat ons bindt en scheidt

En plots vielen we met z’n allen een beetje stil.  Plots kregen velen zeeën van tijd. Hoewel we dat natuurlijk op geen enkel moment van ons bestaan zeker weten. We leven alsof het niet op kan, maar in deze tijden worden we wél met onze neus op onze eindigheid gedrukt. En op die van de ander; je kind, je moeder, je broer, je oma, je buurman, een vriend, je geliefde.

Gelukkig is de zon er dezer dagen overvloedig. Ze schuift zich troostend tussen jou en doemgedachten.

We vielen plots een beetje stil. Allereerst, in een vroeg stadium, na een vermoeden van corona, sloot ik mijn praktijk. Maar snel volgden het openbare leven en nu ook mijn gezinsleven voor een goed deel. Nee we zitten niet samen aan de eettafel Monopoly te spelen of desnoods schaak. We zitten elk in zelfopgelegde quarantaine op een andere plek. Nooit eerder zoveel gebabbeld via sociale media als nu, dat wel.

Zeeën van tijd dus. Ik zou aan mijn boek kunnen werken, maar het lukt me niet. Ik had een column willen schrijven over het soms zo onverantwoorde gedrag van voornamelijk de jeugd en waarom het zo logisch is dat ze de plank mis slaat in deze crisistijd. Ze heeft tot nog toe geen oorlog, geen droogte, geen honger, geen aardbevingen noch tsunami’s aan den lijve ondervonden. Onze jeugd is op dat vlak zwaar verwend en heeft niet geleerd dat dreigend onheil zomaar in een werkelijke nachtmerrie kan omslaan. ‘Het zal ons huisje wel weer stilletjes voorbij gaan’ is hun schild tegen de onbevattelijke werkelijkheid. Precies datgene waarvan de veel bezongen Sinterklaas telkens weer werd verdacht. 

Tot zover mijn geplande column, want die kwam al net zomin uit mijn pen.  

Totdat een beeld mij wakker schopte uit mijn Corona-lethargie; een van op de achtergrond opdoemende, naar mij zwaaiende vrouw terwijl ik in een video-call zat met mijn zoon. De vrouw? Lief, vriendelijk en zeer zorgzaam, dat was niet het probleem. Onze zoon wens ik alle lieve vriendelijke en zorgzame vrouwen van de wereld en in alle leeftijden toe, maar niet nu. Onze zoon, wiens immuniteit met medicatie praktisch lamgelegd is na een transplantatie. Wat er met hem gebeurt als die watervlugge Covid-19 hem in haar klauwen krijgt? Daar durf ik nauwelijks aan te denken, laat staan dat ik het lot ga tarten door het op te schrijven.

Om oeverloos leed na alles wat hij al geleden heeft te voorkomen, zit hij bij zijn vader op het platteland. Daar wordt hij naar beste kunnen verzorgd en beveiligd. In twee prima eigen kamers zit hij zijn vermoedelijk nog maandenlange quarantaine goed gemutst uit. Hij wordt omhuld en dat voelt hij. Zijn vader heeft mede om hem ook al in een vroeg stadium zijn praktijk aan huis gesloten. Wat dat betreft kan mijn moederhart niet beter wensen.

Waaróm zitten wij overigens niet met ons allen rond die eerder genoemde keukentafel een kaartspel ofzo te spelen, zoals we vroeger zoveel deden en met oeverloos plezier? Op de tafel beukend van het lachen? 

Als je man, misschien om goede redenen, een minnares heeft, wordt jullie intimiteit doorbroken door een stel oren dat eigenlijk continu een beetje mee luistert in jouw huis. In een verder stadium kan zij via je man mee de regels gaan bepalen en nog een tijdje later kun je te horen krijgen dat je man niet meer verder kan zonder haar. Jij bent zijn ‘liefste’, maar zij zijn ‘allerliefste’. Al had je dat nooit voor mogelijk gehouden. Als je elkaar daarover maar lang en stevig genoeg in de haren vliegt, ben je natuurlijk al heel snel zelfs niet meer elkaars ‘liefste.’ Dat vergemakkelijkt de scheiding. Aanvankelijk.

Vanaf het eerste moment waarop ik weer helder denken kon, nam ik het pure wilsbesluit om mijn energie, en vooral die van onze kinderen, niet af te laten vloeien in ‘haar’ en ‘hen’ en schuld. Geen boosdoeners. Boosdoeners die niet eens de eigenlijke boosdoeners hoeven te zijn, maar een gemakkelijk mikpunt kunnen worden van ongelukkige projecties van ongelukkige voormalige gezinsleden of een hele familie. 

Mijn ex-man is inmiddels alweer acht jaar met zijn partner samen. Een goeie combi, zo te zien. Een gezamenlijk huis, dat vaak gevuld wordt met de stemmen en de lach van vier volwassen kinderen met hun gezinnetjes; twee ervan mede door mij opgevoed, twee ervan komend uit mijn schoot. Allemaal zomaar in de hare geworpen. In mijn huis klinkt nooit meer die veelkoppige lach. Ook hier is regelmatig de oefening broodnodig: denk eraan, de kinderen hebben het goed met haar getroffen, laat de rest voor wat hij is! Vergeet dat niet, vergeet dat niet, vergeet dat toch vooral niet… Het lukt! Bijna altijd. Maar nu ging dat even mis. 

Zij werkt met, wat Corona betreft, hoog risicopatiënten, vaak uit de marge van onze samenleving. Ik had het gevaar daarvan al met mijn niet-meer-liefste besproken, die naar aanleiding van mijn bekommernis meegaand mompelde dat ik wel een beetje gelijk had. Daarom leefde ik in de veronderstelling dat ze niet meer in de buurt van ons kind zou komen. Totdat haar vrolijke gezicht als achtergrond op mijn beeldscherm in één rotklap voorgrond werd. 

Heel voorzichtig, omdat ik weet dat iedereen zoekend is en overvallen door een onbekende vijand, heb ik twee dagen later laten weten dat ik wel wat was geschrokken en me voor een voldongen feit voelde geplaatst. 

Meteen een lange mail van mijn ex-man terug. Allereerst alle respect en begrip voor mijn onrust; zij zijn ook bezorgd. Natuurlijk! En dan de boodschap: het is mede hààr huis.

Wàt? Dit is in Coronatijden toch totaal irrelevant? Bovendien heeft ze nog een eigen, goeie stek elders in het land, waar ze prima en niet eens alleen zou kunnen verblijven.

Vervolgens een waslijst van wat zij allemaal voor ons kind heeft gedaan en doet. Dat is waar. Maar helaas opnieuw in deze hartbrekend niet ter zake doende. Liever heb ik dat zij in Coronatijden zo min mogelijk voor hem doet en zo ver mogelijk bij hem vandaan blijft. Nog helemaal afgezien van het feit dat ik al die genoemde opofferingen liever zélf voor mijn kind had gedaan, iets wat elke blinde nog kan zien en dove nog kan horen.

Wat nu? En hoe zit het trouwens met al die ouders die hun kinderen nu helemaal niet meer te zien krijgen omdat de ‘lock-down light’ in hun nadeel is, of zelfs tegen hen wordt gebruikt? Misschien is dat nog frustrerender dan mijn geval, omdat er in die situaties vaak vilein opzet in het spel sluipt. Ik kan mijn machteloosheid enkel van mijn dak gaan schreeuwen.

Goed idee trouwens, er loopt hier toch geen hond in dit leeggelopen voormalig HORECA-paradijs. Geen getuigen van een dolgedraaide psychotherapeut. Het dak op, schreeuwen en dan, voor de zeldzame passant: “Hou anderhalve meter afstand, dat kan uw leven redden en dat van anderen!”

NB Mede omdat het hier herkenbare personen betreft, meld ik graag dat de partner van mijn ex inmiddels is gestopt met werken buiten de deur.